Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 juli 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2095
Feiten
Werkneemster (64 jaar) is op 25 oktober 1999 in dienst getreden bij Vomar Voordeelmarkt B.V. (hierna: Vomar). De functie van werkneemster was verkoopmedewerker met - op basis van een werkweek van 24 uur - een salaris van € 1.248,96 bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld. In het personeelshandboek van Vomar staat onder meer dat diefstal of fraude niet wordt getolereerd en dat in dat geval ontslag volgt en dat in het geval van diefstal of fraude de onderzoekskosten in zijn geheel worden doorbelast en dat aangifte wordt gedaan. Op 9 april 2019 is werkneemster gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt. Op 8 september 2020 hebben de HR-adviseur en de operationeel manager van Vomar een gesprek gevoerd met werkneemster over het niet afrekenen van boodschappen op 5 september 2020. Werkneemster heeft in dat gesprek aangegeven wel eens boodschappen niet af te rekenen. Bij brief van 9 september 2020 heeft Vomar werkneemster geschorst met inhouding van salaris. Vomar heeft werkneemster uitgenodigd voor een tweede gesprek op 14 september 2020. Werkneemster is tussen 12 en 15 september 2020 opgenomen geweest in het ziekenhuis, zodat het gesprek op 14 september 2020 niet heeft plaatsgevonden. Bij e-mail van 18 september 2020 heeft Vomar werkneemster bericht dat Vomar toewerkte naar een afronding van het dienstverband met werkneemster. Bij brief van 23 september 2020 heeft Vomar werkneemster op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en de verzoeken van werkneemster om toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging afgewezen. Het verzoek van Vomar om werkneemster te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en tot betaling van de onderzoekskosten toegewezen. Werkneemster komt met zes grieven op tegen het oordeel van de kantonrechter.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Dringende redenen en onverwijldheid (grief 1)
Werkneemster stelt dat er in haar geval geen sprake is van een subjectief dringende reden, gezien haar persoonlijke omstandigheden. Van 12 tot en met 15 september 2020 is zij opgenomen geweest in verband met een zelfmoordpoging. Daarnaast stelt werkneemster dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Naar het oordeel van het hof staat aan de hand van onderzoek tussen partijen vast dat werkneemster herhaaldelijk en gedurende langere tijd bij Vomar boodschappen heeft meegenomen zonder deze af te rekenen. De door werkneemster gestelde persoonlijke omstandigheden disculperen haar niet. Naar het oordeel van het hof is er sprake van een objectieve en subjectieve dringende reden. Eveneens oordeelt het hof dat Vomar met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld bij het instellen van het onderzoek, het beschikbaar krijgen van de onderzoeksgegevens en het inroepen van het ontslag op staande voet. Grief 1 faalt.
Luizengaatje (grief 2)
Werkneemster komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van haar ernstig verwijtbaar handelen. Het hof acht het niet toekennen van de transitievergoeding in het geval van werkneemster naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 7:673 lid 8 BW) onaanvaardbaar, gelet op haar leeftijd, de duur van het dienstverband, haar goede staat van dienst, haar opleidingsniveau en haar kansen op de arbeidsmarkt. Dit gehele samenstel van factoren maakt dat het hof overgaat tot toekenning van de gehele transitievergoeding, namelijk een bedrag van € 10.361,41 bruto. Grief 2 slaagt.
Gefixeerde schadevergoeding en onderzoekskosten (grieven 4 en 5)
Werkneemster komt op tegen haar veroordeling tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en de bijdrage in de onderzoekskosten. Ten aanzien van de schadevergoeding oordeelt het hof dat werkneemster door opzet of schuld aan Vomar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, reden waarom zij aan Vomar de gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd. Het hof oordeelt met betrekking tot de onderzoekskosten dat in beginsel begrijpelijk is dat Vomar uit zorgvuldigheidsoverwegingen tot een onderzoek heeft besloten. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het aan werkneemster opgelegde bedrag van € 1.250 voor het onderzoek redelijk is. Grieven 4 en 5 falen.
Proceskosten (grieven 3 en 6)
Werkneemster komt op tegen de proceskostenveroordeling en in het tegenverzoek in eerste aanleg tegen de proceskostencompensatie. Het hof oordeelt dat werkneemster in eerste aanleg in het verzoek terecht in het ongelijk is gesteld, reden waarom zij ook terecht in de proceskosten is veroordeeld en tevens ook dat er in het tegenverzoek een proceskostencompensatie heeft plaatsgevonden. Grieven 3 en 6 falen.