Naar boven ↑

Rechtspraak

Sociale Verzekeringsbank (SVB)/ werkgever
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 13 oktober 2022
ECLI:NL:RBOBR:2022:4505
De omstandigheid dat er niet eerder dan in november 1995 brancherichtlijnen bestonden, ontslaat werkgever niet van zijn verplichting om zijn werknemers beschermd op pad te sturen. Werkgever aansprakelijk voor schade als gevolg van asbestblootstelling.

Feiten

In de periode van 1989 tot 1996 is werknemer als verwarmingsmonteur in dienst geweest bij werkgever. In maart 2019 heeft een longarts bij werknemer de longziekte maligne mesothelioom vastgesteld. Naar aanleiding daarvan heeft werknemer zich gemeld bij het Instituut Asbestslachtoffers (IAS). Het NMP heeft de diagnose van de longarts bevestigd. Bij brief van 8 juli 2019 heeft werknemer werkgever aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van zijn ziekte en de gevolgen daarvan. Op 30 juli 2019 heeft werknemer op grond van de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS) van SVB een uitkering ontvangen van € 20.730. Met toestemming van werknemer heeft het IAS contact opgenomen met werkgever om te vragen of hij bereid is mee te werken aan bemiddeling over een schadevergoeding voor werknemer. Bij brief van 16 juli 2019 heeft werkgever aan het IAS laten weten daarin niet te zijn geïnteresseerd. Naar aanleiding daarvan heeft het IAS het dossier van werknemer overgedragen aan SVB voor verhaal van de aan werknemer betaalde TAS-uitkering. Het is in dit kader dat SVB deze procedure aanhangig heeft gemaakt. SVB verzoekt een verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is voor de schade van werknemer voortvloeiend uit de asbestblootstelling en vordert betaling van schade.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat met voldoende mate vaststaat dat werknemer tussen 1989 en 1995 is blootgesteld aan niet-hechtgebonden asbest tijdens zijn werkzaamheden. Werknemer moest in asbesthoudende daken snijden of knippen om pijpen passend te maken of om een nieuwe dakdoorvoer te maken. Ook moest hij asbestplaten weghalen die onder de oude, door hem te vervangen ketels lagen. In de beginperiode van zijn dienstverband werden deze platen stukgeslagen en los in een doos afgevoerd. Pas later werden de platen met een plantenspuit natgemaakt en zo mogelijk in één geheel, verpakt in een plastic zak afgevoerd. Verder staat als onvoldoende weersproken vast dat werknemer het werk destijds heeft uitgevoerd zonder persoonlijke beschermingsmiddelen. Hoewel er verder in theorie andere oorzaken voor mesothelioom mogelijk zijn, is er geen enkele aanwijzing dat dit bij werknemer het geval is. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om de heersende jurisprudentie, waarin aangenomen wordt dat mesothelioom een monocausale ziekte is, te verlaten. De vraag die vervolgens aan de orde is, is of werkgever de op hem rustende zorgplicht is nagekomen. De kantonrechter oordeelt dat de omstandigheid dat er niet eerder dan in november 1995 brancherichtlijnen bestonden, werkgever niet ontslaat van zijn verplichting om zijn werknemers beschermd op pad te sturen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat werknemer pas aan het einde van zijn dienstverband, op zijn vroegst vanaf ongeveer 1993/1994 enige instructies heeft gekregen met betrekking tot het verwijderen van de asbestplaten. Verder staat niet ter discussie dat werknemer gedurende (het grootste deel van) zijn dienstverband geen persoonlijke beschermingsmiddelen heeft gekregen. Ook staat vast dat niet eerder dan vanaf november 1995 controle plaatsvond op de aanwezigheid van asbest voordat de monteurs op locatie werkzaamheden gingen verrichten. Werkgever is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De kantonrechter oordeelt tot slot dat niet aannemelijk is dat werknemer  (ook) buiten zijn werkzaamheden is blootgesteld aan asbest. De verklaring voor recht en de vordering tot schadevergoeding worden toegewezen.