Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds 3 december 2007 bij Nancy Schoonmaakbedrijf in dienst en verricht werkzaamheden als schoonmaker bij een vleesverwerkingsbedrijf in Rotterdam. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing. Op basis van de cao dient een werknemer in een loongroep te worden ingedeeld met inachtneming van de referentiefuncties. Voor de functies medewerker schoonmaakonderhoud industrieel I en II zijn in het toepasselijke NOK-schema beschrijvingen opgenomen en ingevolge bijlage II van de cao krijgt de medewerker schoonmaakonderhoud industrieel II een functietoeslag van 5% bovenop het voor beide functies geldende salaris in loongroep 1. Werknemer meent dat hij recht heeft op betaling conform loongroep 1 plus een functietoeslag van 5%. Tussen partijen is in geschil of de functie-indeling correct heeft plaatsgevonden. Bij tussenvonnis van 14 september 2018 heeft de kantonrechter – kort samengevat – overwogen dat werknemer als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud moet worden aangemerkt en in loongroep 1 valt (zonder 5% functietoeslag). Na het horen van getuigen heeft de kantonrechter bij vonnis van 7 juni 2019 geoordeeld dat Nancy geslaagd was in het leveren van het bewijs dat een 38-urige werkweek was overeengekomen maar niet geslaagd was in het leveren van het bewijs dat werknemer (onbetaald) verlof had genoten. Werknemer kan zich met de vonnissen van de kantonrechter niet verenigen en vordert in hoger beroep onder meer achterstallig salaris vanwege een te laag bruto-uurloon vanwege de verkeerde functie-indeling. In het bestreden arrest is het schoonmaakbedrijf veroordeeld tot onder meer een nabetaling aan achterstallig salaris van € 29.964,70 bruto, met wettelijke verhoging van 50%. In cassatie klaagt het schoonmaakbedrijf dat de hoogte van dit bedrag onbegrijpelijk is en dat het hof de nadere aktewisseling die na comparitie heeft plaatsgevonden over het hoofd heeft gezien. Het schoonmaakbedrijf heeft in zijn nadere akte een herberekening laten opstellen van de nabetalingen waarop werknemer nog recht heeft, waarna werknemer in zijn antwoordakte die berekeningen deels zou hebben erkend. Die berekeningen sluiten op een lager bedrag dan waartoe het hof het schoonmaakbedrijf heeft veroordeeld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof de aktewisseling met lagere loonaanspraak niet kenbaar betrokken heeft in de oordeelsvorming.
Oordeel
Het hof oordeelt dat ingevolge artikel 424 Rv de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan dient voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen, en dat hij is gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feitelijke stellingen en verweren. Het vorenstaande laat echter onverlet dat partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden. Bovenvermeld uitgangspunt leidt in de onderhavige zaak ertoe dat bij de beoordeling van de vorderingen van werknemer tussen partijen niet langer onderdeel van debat is de beslissingen van het gerechtshof Den Haag ten aanzien van de indeling van werknemer in loongroep 1 plus 5% functietoeslag, de toeslag voor werken in de avonduren, de wettelijke verhoging, de eindejaarsuitkering en het niet genieten van verlof gedurende de periode 1 februari 2012 tot en met 30 juni 2012 aangezien werkgever tegen deze beslissingen niet is opgekomen in cassatie. Gezien het vorenoverwogene heeft het hof voor de bepaling van de omvang van de loonvordering van werknemer behoefte aan nadere inlichtingen. Werkgever wordt verzocht bij akte een berekening over te leggen van het loon waar werknemer conform de onder 3.5 vermelde uitgangspunten aanspraak op maakt met dien verstande dat het bedrag niet hoger kan zijn dan (het bruto-equivalent van) het bedrag van € 15.711 netto omdat werknemer zijn eis tot dat bedrag heeft verminderd, een en ander zoals hiervoor overwogen. Werknemer mag bij antwoordakte hierop reageren.