Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 27 september 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:5084
Feiten
Werknemer is op 1 september 2019 in dienst getreden bij werkgever in de functie van PhD-kandidaat (promovendus). Het dienstverband eindigt op 1 maart 2024 en dan moet werknemer zijn promotieonderzoek hebben afgerond. Voor het onderzoek dat werknemer tijdens zijn promotietraject verricht, maakt hij gebruik van een laboratorium in een gebouw van werkgever. Naar aanleiding van anonieme meldingen/signalen van grensoverschrijdend gedrag van werknemer, heeft werkgever werknemer op 27 maart 2023 de toegang tot het laboratorium ontzegd. Op 31 maart 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden met werknemer, waarin werknemer op de hoogte is gesteld van de aard van de anonieme meldingen/signalen. Hierbij is door werkgever aangegeven dat hij een extern bureau de opdracht heeft gegeven een verkennend onderzoek te doen naar de aard en de omvang van de anonieme meldingen/signalen en deze objectief te duiden. In april 2023 heeft het verkennend onderzoek plaatsgevonden. Op 11 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarin werknemer op basis van de uitkomsten van het verkennend onderzoek en conform het advies van de onderzoekers de twee volgende opties zijn voorgehouden: (1) werkgever laat als vervolg op de uitgevoerde verkenning een formeel feitenonderzoek naar de ongewenste omgangsvormen uitvoeren of (2) werknemer wordt de mogelijkheid geboden om – onder strikte voorwaarden – zijn promotie alsnog op korte termijn af te ronden. De voorkeur van werknemer ging uit naar optie 2, waarna partijen in overleg zijn getreden over de afspraken waaronder werknemer zijn promotie zou kunnen afronden. Partijen hebben hierover geen overeenstemming bereikt. Op 8 augustus 2023 is werknemer door het college van bestuur (hierna: CvB) geïnformeerd dat er een feitenonderzoek zal worden uitgevoerd door de Commissie Interpersoonlijke Integriteit (hierna: CII) en dat werknemer gedurende dit onderzoek de toegang wordt ontzegd tot het gebouw en dat werknemer geen werkzaamheden mag uitvoeren in het laboratorium. Werknemer vordert onder meer wedertewerkstelling.
Oordeel
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft werkgever gelet op de uitkomsten van het verkennend vooronderzoek vooralsnog een redelijke en voldoende zwaarwegende grond om werknemer voor de duur van het feitenonderzoek de toegang tot het gebouw te ontzeggen. Werkgever heeft immers de verplichting om zorg te dragen voor een sociaal veilige werkomgeving voor ál zijn werknemers. De werknemers waarvan de anonieme meldingen/signalen afkomstig zijn, zijn werkzaam in het gebouw en uit het verkennend vooronderzoek volgt dat zij het gesprek met werknemer zijn aangegaan over het ervaren ongewenste gedrag, maar dat dit niet of nauwelijks effect had. De gerechtvaardigde vrees bestaat zodoende dat daadwerkelijk ongewenste situaties zullen ontstaan wanneer werknemer onbeperkte toegang heeft tot het gebouw. Partijen zijn het erover eens dat werknemer belang heeft bij toegang tot het gebouw voor het uitvoeren van testen voor zijn promotieonderzoek. Echter, dat werknemer, zoals hij vordert, voor het afronden van zijn promotieonderzoek onbeperkt toegang nodig heeft tot het gebouw heeft werknemer niet aannemelijk gemaakt. Over hoeveel dagen werknemer dan wel nog toegang nodig heeft tot het gebouw kunnen partijen het vooralsnog niet eens worden en dit kan de kantonrechter ook niet beoordelen. Partijen hebben in dat verband tegengestelde verklaringen overgelegd en dat aan de ene verklaring meer gewicht moet worden toegekend dan aan de andere verklaring hebben partijen beide niet aannemelijk gemaakt. Dit leidt ertoe dat het belang van werkgever bij handhaving van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van werknemer bij het opheffen van de maatregel.