Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 31 oktober 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:9208
Feiten
In dat arrest heeft het hof overwogen dat het eenmalig aanpassen van de bonus op grond van de in artikel 6 HKR neergelegde discretionaire bevoegdheid geen besluit is dat instemming van de Ondernemingsraad behoeft. Het hof heeft Alewijnse, de werkgever van werknemers, in de gelegenheid gesteld schriftelijke bescheiden over te leggen waaruit blijkt dat door de groepsdirectie en de aandeelhouder een besluit is genomen om de gratificatie over het jaar 2020 op nihil te stellen. Partijen hebben zich hierover in aktes uitgelaten.
Oordeel
De tekst van artikel 6 HKR luidt: ‘Indien na invoering van deze regeling buitengewone- of onvoorziene omstandigheden naar de mening van de Groepsdirectie en de Raad van Commissarissen daartoe aanleiding geven, behoudt deze zich het recht voor deze regeling aan de omstandigheden aan te passen.’ Het hof heeft in het tussenarrest aansluiting gezocht bij de uitlatingen aan de zijde van Alewijnse tijdens de zitting dat het besluit ‘vast wel ergens in de notulen staat’. Nu dat niet zo blijkt te zijn mag Alewijnse voldoende omstandigheden stellen en, bij deugdelijke betwisting, bewijzen dat besluitvorming in de zin van artikel 6 HKR wel degelijk heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling of sprake is geweest van dergelijke besluitvorming stelt het hof voorop dat artikel 6 HKR niet de eis stelt dat er sprake moet zijn van een besluit in formele zin. Blijkens de tekst van de bepaling gaat het erom dat groepsdirectie en raad van commissarissen gezamenlijk van mening moeten zijn dat sprake is van buitengewone of onvoorziene omstandigheden die aanpassing van de regeling nodig maken. Dat maakt dat aan deze besluitvorming niet dezelfde eisen kunnen worden gesteld als aan formele besluitvorming in de zin van Boek 2 BW omdat deze mogelijkheid de HKR-regeling aan te passen vooral van arbeidsrechtelijke aard is. Het geeft Alewijnse als werkgever immers de mogelijkheid af te zien van het uitkeren van een gratificatie als de nood aan de man is. Uit de aangedragen omstandigheden blijkt voldoende dat groepsdirectie en aandeelhouder van mening waren dat er geen gratificatie over 2020 kon worden uitgekeerd. Zelfs al zou de besluitvorming destijds niet door de correcte functionarissen hebben plaatsgevonden dan nog heeft te gelden dat uit de voormelde gedragingen van Alewijnse volgt dat groepsdirectie en aandeelhouder beiden van mening zijn dat de gratificatie niet kon worden uitgekeerd. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de inhoudelijke kant van het geschil namelijk de vraag of Alewijnse mocht besluiten om de gratificatie van werknemers over het jaar 2020 op nihil te stellen. Naar het oordeel van het hof is Alewijnse met het genomen besluit binnen de grenzen van goed werkgeverschap gebleven. Onbetwist is dat Alewijnse een NOW-uitkering heeft ontvangen van € 4,4 miljoen en dat zij dankzij die uitkering en door allerlei bezuinigingen een positief netto resultaat van € 203.000 heeft weten te realiseren en geen werknemers heeft hoeven ontslaan. Zonder overheidssteun zou Alewijnse over 2020 een zeer fors verlies hebben geleden. Tegen de achtergrond hiervan mocht Alewijnse naar het oordeel van het hof meer gewicht toekennen aan de continuïteit van de bedrijfsvoering en behoud van banen dan aan het belang van werknemers om over het jaar 2020 een gratificatie te ontvangen. Daarbij weegt het hof ook mee dat Alewijnse niet eerder van haar discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en werknemers over 2021 een gratificatie hebben ontvangen. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof in voldoende mate dat Alewijnse in 2020 dankzij de NOW-subsidie net het hoofd boven water hield en geen werknemers hoefde te ontslaan. Alewijnse kon tegen de achtergrond daarvan in redelijkheid besluiten om, naast diverse andere bezuinigingen, de gratificatie van werknemers over (uitsluitend) het jaar 2020 niet uit te keren.