Naar boven ↑

Rechtspraak

Hof staat tussentijds cassatieberoep toe in geschil tussen internationaal transportbedrijf en 26 chauffeurs aangaande vakantieloon.

Feiten

26 chauffeurs (hierna: de chauffeurs) zijn in dienst (geweest) bij een internationaal transportbedrijf (hierna: werkgeefster) in de functie van internationaal tankautochauffeur. De chauffeurs ontvingen respectievelijk ontvangen een basissalaris, aangevuld met toeslagen en vergoedingen voor overuren. Eind 2018 hebben de sociale partners een cao-akkoord bereikt, inhoudende de doorbetaling van toeslagen en de vergoeding voor overuren tijdens vakantie. Vanaf 1 januari 2019 dienen toeslagen en vergoedingen voor overuren tijdens vakantie doorbetaald te worden. Voornoemd cao-akkoord is per 14 februari 2019 algemeen verbindend verklaard. De chauffeurs hebben in eerste aanleg – kort samengevat – volledige vergoeding van het loon gevorderd dat zij in de periode voorafgaand aan het cao-akkoord van eind 2018 (ingang per 1 januari 2019) tijdens vakantie zouden hebben genoten, zijnde het basissalaris aangevuld met toeslagen en vergoedingen voor overuren. De chauffeurs zijn de mening toegedaan dat zij over de bedoelde perioden enkel het basissalaris doorbetaald hebben gekregen en dat zij recht hebben op uitkering van onregelmatigheidstoeslagen en overuren. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis onder meer geoordeeld dat de onregelmatigheidstoeslag, zaterdag- en zondaguren en nachttoeslag componenten zijn die tot het vakantieloon moeten worden gerekend. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat de in de cao opgenomen vergoeding voor reguliere overuren deel moet uitmaken van het loon waarop de chauffeurs recht hebben voor opgenomen vakantieverlof in de respectieve periodes. De kantonrechter heeft de chauffeurs in de gelegenheid gesteld zich bij nadere akte uit te laten omtrent het door werkgeefster bij dupliek overgelegde overzicht en waar nodig hun vorderingen te herberekenen en de eis te wijzigen. Bij vonnis van 24 maart 2021 heeft de kantonrechter verlof verleend voor het tussentijds instellen van hoger beroep.

Hoger beroep (tussenarrest)

In hoger beroep (zie AR 2023-0395) is – kort gezegd – geoordeeld dat de door de chauffeurs ontvangen toeslagen onderdeel uitmaken van het vakantieloon. Dit geldt ook voor de overwerkvergoeding, mits de vergoeding voor overuren een belangrijk onderdeel vormt van het jaarlijks uitbetaalde brutoloon (25% of meer). Bij het voorgaande dient als referteperiode te worden aangehouden het kalenderjaar voorafgaand aan het (kalender)jaar waarin de vakantie wordt opgenomen. In het kader van een doelmatige afdoening van de zaak is werkgeefster opgedragen overzichten per individuele chauffeur en per relevant kalenderjaar over te leggen, waaruit blijkt hoeveel een individuele chauffeur nog tegoed heeft aan achterstallig loon in het licht van wat in het tussenarrest is overwogen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

NS Reizigers/werknemer

In zijn eerste tussenarrest heeft het hof aangegeven dat er tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen geen onderscheid moet worden gemaakt qua loonaanspraak als zodanig. De chauffeurs hebben kort gezegd de vraag opgeworpen of uit het recente arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2023 (NS Reizigers/werknemer) kan worden opgemaakt dat r.o. 4.18 van het eerste tussenarrest onjuist is, en daarmee de vervolgens door het hof aan de hand van uit Europese jurisprudentie blijkende criteria uitgevoerde beoordeling ten aanzien van overuren en de daarbij behorende toeslagen. Het hof ziet geen reden terug te komen op zijn beslissing op dit punt. Het hof leest in de overweging uit het arrest van de Hoge Raad niet dat onder het ruime loonbegrip ook de vergoeding voor overwerk moet worden gerekend. Ook de conclusie van de A-G bij genoemd arrest geeft het hof geen reden tot een ander oordeel, nu een benadering als voorgestaan door de chauffeurs niet blijkt uit de volgens het hof in dit kader relevante passages uit die conclusie.

Tussentijds cassatieberoep

De na het eerste tussenarrest ontsponnen discussie en geopperde bezwaren maken het niet denkbeeldig dat wederom nieuwe berekeningen moeten worden opgemaakt. Een spoedige eindbeslissing ligt daarom thans niet (meer) in het verschiet. Het hof staat tussentijds cassatieberoep toe van dit tussenarrest en van het eerste tussenarrest. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.