Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 maart 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:1396
Feiten
Werkgeefster en werknemer hebben met ingang van 1 juni 2017 een arbeidsovereenkomst gesloten. Op 30 december 2020 zijn aan werknemer 8820 certificaten van aandelen in werkgeefster verkocht voor een bedrag van € 28.000. Werknemer heeft op 8 april 2024 zijn arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juli 2024. Werkgeefster vordert in de hoofdzaak teruglevering door werknemer van de door hem gehouden certificaten, primair tegen een koopprijs van € 28.000. Werkgeefster baseert deze vordering op de Administratievoorwaarden, die onderdeel zijn van de koopovereenkomst van certificaten. Werknemer vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de sector kanton van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Oordeel
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 93 onder c Rv moeten zaken betreffende een arbeidsovereenkomst worden behandeld en beslist door de kantonrechter. Met het gebruik van het woord ‘betreffende’ wordt uitgedrukt dat het niet alleen gaat om vorderingen die hun grondslag hebben in een arbeidsovereenkomst. Voldoende is dat de vordering daarmee verband houdt. Dat werkgeefster haar vordering niet baseert op de arbeidsovereenkomst betekent dus niet dat de kantonrechter niet bevoegd is. Integendeel, want naar het oordeel van de rechtbank houdt de vordering van werkgeefster wel verband met de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. Dit geldt met name voor wat betreft de koopprijs van € 28.000 die werkgeefster voor de door werknemer te leveren certificaten wil betalen. De hoogte van deze koopprijs is een gevolg van de kwalificatie van werknemer als ‘Bad Leaver’ door werkgeefster. Volgens de Administratievoorwaarden is onder meer sprake van een ‘Bad Leaver’ indien beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt in verband met een dringende reden of als gevolg van omstandigheden als bedoeld in de artikelen 7:669 lid 3 sub e tot en met sub h BW. De rechtbank overweegt dat de feiten en omstandigheden die volgens werkgeefster moeten leiden tot de kwalificatie van werknemer als ‘Bad Leaver’, betrekking hebben op de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. Deze zaak moet daarom door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Voor de relatieve bevoegdheid geldt in dit geval de hoofdregel van artikel 99 Rv, namelijk de rechter van de woonplaats van werknemer. In dit geval is dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank verklaart zich op grond van het voorgaande onbevoegd van de vordering kennis te nemen en verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant (kamer voor kantonzaken, locatie Breda).