Rechtspraak
X/Laurentius
(Hoger beroep van AR 2012-1105, LJN BY6372.) X is in 1981 bij Laurentius in dienst getreden. Laatstelijk is hij werkzaam als (titulair) directeur financiën en vastgoedprojecten. Op 21 mei 2012 is de statutair bestuurder van Laurentius gearresteerd op verdenking van onder meer fraude en oplichting. Op 20 september 2012 is X geschorst en is hem een contactverbod opgelegd. De vordering tot wedertewerkstelling is op 10 oktober 2012 toegewezen (zie AR 2012-0905). Op 23 oktober 2012 is X op staande voet ontslagen. Aan het ontslag wordt ten grondslag gelegd dat werknemer zijn (machts)positie heeft misbruikt, dat X werknemers van Laurentius door zijn handelen en woorden heeft geïntimideerd en gemanipuleerd, dat hij werknemers van Laurentius op een zodanige wijze heeft benaderd die zij (zelfs) als bedreigend en beangstigend hebben ervaren en dat X het forensisch onderzoek heeft gefrustreerd, althans heeft geprobeerd te frustreren, door werknemers voor te houden hoe zij zich bij gesprekken met de forensisch onderzoekers dienden op te stellen en wat zij wel en niet zouden mogen zeggen.
Het hof oordeelt als volgt. Laurentius heeft voor het ontslag op staande voet uitsluitend de verklaringen van de betreffende medewerkers als een in haar ogen voldoende feitelijke onderbouwing van de dringende reden aangevoerd. Waar Laurentius slechts in zeer algemene bewoordingen de nadere en zeer gedetailleerde verklaring(en) van X heeft betwist, terwijl voorshands voldoende aannemelijk is dat zij de in de procedure door X overgelegde verklaring(en) betreffende het respectieve contactmoment kennelijk niet (meer) aan de betreffende medewerkers heeft voorgehouden, zijn er serieuze vragen te stellen bij de volledigheid van de verklaringen van de betreffende medewerkers. Dat klemt temeer nu in de verklaringen van X nadere uitleg wordt gegeven en talloze nuances zijn te vinden, die de betreffende verklaringen van de medewerkers in een ander daglicht kunnen stellen dan wel (kunnen) nopen daar op een andere wijze mee om te gaan. Het hof acht het daarbij uit het oogpunt van een zuivere en evenwichtige bejegening onbegrijpelijk dat in het kader van het inmiddels afgeronde integriteitsonderzoek binnen Laurentius gericht op X, de betreffende onderzoekers van bureau Y – al dan niet op instigatie van Laurentius – zich kennelijk in het geheel niet geïnteresseerd hebben betoond in de visie van X zelf op de onderzochte kwesties en gebeurtenissen. Wat daar verder van zij, in ieder geval staat vast dat Laurentius bij de beslissing om X op staande voet te ontslaan op geen enkele wijze rekening heeft (willen) (ge)houden met een (eventueel) weerwoord van X op de jegens hem gerichte aantijgingen. De houding van Laurentius rondom de versnelde terugkeer van X uit het buitenland om toch nog weerwoord te kunnen bieden, waartoe deze laatste uitdrukkelijk de wens had geuit, is ronduit schrijnend te noemen. Een dergelijk handelen (of beter gezegd nalaten) is in de gegeven omstandigheden niet alleen aan te merken als in strijd met goed werkgeverschap en komt verder uiteraard voor rekening van Laurentius, maar het brengt ook met zich dat er naar de huidige stand van zaken sprake is van een gemotiveerde betwisting door X van de door Laurentius aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen. Door X toen wel te horen, zou daarbij naar voorshands oordeel van het hof het element van ‘onverwijldheid’ redelijkerwijs niet in geding zijn gekomen. Uitsluitend een subjectieve beleving van het respectieve gedrag van X door de betreffende medewerkers – dit alles in een voor hen, X en Laurentius onmiskenbaar hectische periode vol onduidelijkheden en onzekerheden – is wat al te dun ijs om daarop in het kader van een ontslag op staande voet te (kunnen) schaatsen.