Naar boven ↑

Rechtspraak

Autoster, Automotive BV/Hendriks
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 april 2014
ECLI:NL:GHSHE:2014:1065

Autoster, Automotive BV/Hendriks

Vervolg Autoster/Hendriks: wanneer is sprake van een behoorlijke verzekering? Verwijzing naar schadestaatprocedure wegens schending van artikel 7:611 BW impliceert geen volledige aansprakelijkheid. Koerswijziging van volledige schadevergoeding naar schade ten gevolge van het niet-afsluiten van een verzekering doet niet ter zake.

(Vervolg op HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7775, AR 2008-0773 (Autoster).) Hendriks is op 22 juli 1998 een ongeval overkomen toen hij van de werkplek naar huis reed. Hij bestuurde toen een aan zijn werkgever toebehorende autoambulance. Hendriks was ten tijde van het ongeval gerechtigd over de ambulance te beschikken omdat hij toen fungeerde als nooddienstmedewerker. Een werknemer die nooddienst had, diende dag en nacht telefonisch bereikbaar te zijn en wanneer een inzet was vereist, diende hij zich met de ambulance zo spoedig mogelijk naar de plaats van inzet te begeven. Om de tijd te besparen die het zou kosten om eerst vanaf het eigen woonhuis te rijden naar de garage van Autoster, namen sommige medewerkers na afloop van hun werkzaamheden de ambulance mee naar huis. Autoster heeft daartegen in de loop der jaren nimmer bezwaar gemaakt. Ten tijde van het ongeval was geen sprake van een noodoproep. Centraal staat de vraag of Hendriks in de ‘uitoefening van zijn functie’ was ten tijde van het verkeersongeval. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het gebruik van de autoambulance op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Wat partijen thans verdeeld houdt, is de vraag of Autoster alleen gehouden is de schade te vergoeden die voortvloeit uit het niet-afsluiten van een adequete verzekering (stelling Autoster) of voor alle schade (stelling Hendriks).

Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak dient de hoofdprocedure ertoe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen. Dat heeft het hof gedaan. Het hof heeft aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW verworpen en aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW toegewezen. Volgens vaste rechtspraak is het voor een verwijzing van partijen naar de schadestaatprocedure noodzakelijk en voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade aannemelijk is (vgl. o.m. HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2902). Het hof diende op de vordering tot verwijzing naar de schadestaat te beslissen en moest daartoe toetsen of de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt door Hendriks. Het hof heeft uitsluitend bedoeld dat aannemelijk is dat Hendriks meer schade heeft geleden dan het door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde bedrag. Daarmee is niet gezegd dat Autoster dus de volledige schade van Hendriks moet vergoeden. Hendriks heeft betoogd dat de Hoge Raad met zijn arresten van 1 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB6175 (Maasman/Akzo) en ECLLI:NL:HR:2008:BB4767 (Kooiker/Taxicentrale Nijverdal)) tot inkeer is gekomen van zijn tot dan toe geldende rechtspraak dat aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW tot volledige schadevergoeding dient te leiden. Het arrest in de hoofdzaak is van vóór die arresten. Hendriks leidt daaruit af dat het hof van oordeel was dat hij zijn volledige schade vergoed moet krijgen. Het hof verwerpt dat standpunt. Zoals gezegd, het hof diende in de hoofdprocedure slechts te beoordelen of de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. Uitsluitend in dat licht dienen de hiervoor geciteerde overwegingen te worden verstaan. Het hof is tot het oordeel gekomen dat Autoster aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW en dat voldoende aannemelijk is dat Hendriks schade lijdt die het uit hoofde van de door Autoster gesloten verzekering uitgekeerde bedrag, overstijgt en dat daarmee de mogelijkheid aannemelijk is dat Hendriks meer schade lijdt dan hij reeds vergoed heeft gekregen. Daarmee kon de vordering – verwijzing naar de schadestaatprocedure – worden toegewezen door het hof. Het hof heeft daarmee de discussie welke schade voor vergoeding in aanmerking komt, eenvoudigweg onbeantwoord gelaten en doorgeschoven naar de schadestaatprocedure.

Zoals de Hoge Raad in zijn hiervoor genoemde arresten van 1 februari 2008 heeft beslist (en in HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf)) dient de omvang van de verzekeringsverplichting ex artikel 7:611 BW van geval tot geval te worden vastgesteld, met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden – waarbij mede van belang is of verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd – en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen. Het hof kan de uitkomst in de zaak Regiotaxi (door Autoster aangehaald: (Hof ’s-Hertogenbosch 28 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9585)) niet zonder meer van toepassing verklaren op de onderhavige situatie. De zaak Regiotaxi had betrekking op een taxionderneming en uit het arrest in die zaak blijkt dat onderzoek is gedaan naar verzekeringsmogelijkheden op 5 september 1999 van een taxionderneming voor haar taxichauffeurs. In dit geding moet worden uitgegaan van een andere peildatum: juli 1998 in plaats van september 1999. Verder is in dit geval geen sprake van een taxibedrijf en/of personenvervoer. Anders dan in de zaak Regiotaxi is er geen sprake van een situatie dat de werknemers van Autoster (waaronder Hendriks) gedurende de gehele dag aan het verkeer deelnamen, althans daar gaat het hof voorshands vanuit. Nu het processuele debat zich heeft geconcentreerd op de kernvraag, zijn de stellingen op de vraag wat een adequate verzekering zou zijn geweest, beperkt gebleven. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Zo dient het hof onder meer inzicht te verkrijgen in de destijds in de branche geldende opvattingen en regelgeving.