Rechtspraak
Werkneemster valt op 31 augustus 2011 uit wegens toegenomen klachten, als gevolg van een chronische huidaandoening. Op 26 augustus 2016 dient zij na een verkorte wachttijd (art. 23 lid 6 WIA) een aanvraag in voor een IVA-uitkering bij UWV. Werkneemster stelt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit baseert zij op een verklaring van de bedrijfsarts, waaruit volgt dat er geen behandelmogelijkheden meer zijn die gericht zijn op het herstel, dat er slechts sprake is van palliatieve behandelmogelijkheden en behandelingen gericht op vertraging van de uitbreiding van het proces. UWV wijst de aanvraag voor een IVA-uitkering van werkneemster af, omdat werkneemster niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat uit de bevindingen van de verzekeringsarts blijkt dat (opnieuw) gestart wordt met behandelingen en therapie, met als doel de progressie van de ziekte te stoppen. Tevens wordt nog een ‘third opinion’ afgewacht, waardoor niet kan worden gesteld dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Werkneemster stelt bezwaar en beroep in, hetgeen ongegrond is verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd. Dit betekent dat UWV bij een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan geen sprake zijn van toekenning van een verkorte wachttijd. De systematiek van de Wet WIA brengt tevens mee dat de beoordeling of een verkorte wachttijd aan de orde is, geschiedt op basis van een strikter criterium dan aan de orde is in geval de volledige wachttijd van 104 weken is verstreken (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3628). In casu bestaan onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het standpunt van UWV dat de belastbaarheid van werkneemster in de toekomst mogelijk zou kunnen verbeteren door het volgen van een (nieuwe) behandeling, dan wel door het afwachten van de ‘third opinion’. Daarbij betrekt de Raad dat werkneemster in het verleden reeds een eenzelfde soort behandeling heeft gevolgd. Dit had voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding moeten zijn om de behandelend sector te consulteren over de kans op herstel van de functionele mogelijkheden van werkneemster na een eventueel opnieuw te volgen traject. UWV heeft ten onrechte niet reeds tien weken na datum van de aanvraag in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad herroept het besluit van UWV en bepaalt dat werkneemster tien weken na de datum van de aanvraag in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.