Rechtspraak
Appellante ontvangt over de periode van 22 juli 2008 tot 1 januari 2009 een voorschot op een WIA-uitkering. UWV stelt vast dat voor appellante met ingang van 22 juli 2008 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan en vordert het verleende voorschot tot een bedrag van € 2.659,50 terug. Vervolgens bericht UWV appellante dat zij het – inmiddels tot € 3.260,71 verhoogde – terugvorderingsbedrag in twaalf termijnen van € 272 per maand moet terugbetalen, te starten voor 1 september 2013. Appellante maakt hiertegen bezwaar, hetgeen gegrond wordt verklaard. De hoogte van het terug te betalen bedrag blijft ongewijzigd, maar het aflossingsbedrag wordt bijgesteld tot € 100 per maand. Appellante stelt daartegen beroep in bij de rechtbank en stelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, omdat UWV het teruggevorderde bedrag nader heeft gespecificeerd, waarbij is aangegeven dat het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag in de loop der tijd is verhoogd met administratiekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. In hoger beroep stelt appellante dat het verhogen van het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag met administratiekosten, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente in strijd is met het beginsel van reformatio in peius en dat de verhoging niet in een redelijke verhouding tot het terug te vorderen bedrag staat en derhalve in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uit de aanmaning die UWV aan appellante heeft gestuurd blijkt dat zij is gewezen op bijkomende kosten bij een te late betaling van het teruggevorderde bedrag, bestaande uit rente, vergoeding van de aanmaning en buitengerechtelijke kosten, Uit het dwangbevel blijkt dat de vordering op het moment van de aanmaning al was opgelopen tot € 3.072,42. Appellante wist dus dat het oorspronkelijke bedrag inmiddels aanmerkelijk was verhoogd. Het terugvorderingsbesluit van UWV is geen besluit dat in heroverweging op bezwaar is genomen, waardoor het beginsel van reformatio in peius niet aan de orde is. Appellante heeft tevens niet nader toegelicht waarom de toegepaste verhogingen op het teruggevorderde bedrag onredelijk en in strijd met het evenredigheidsbeginsel zouden zijn. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.