Naar boven ↑

Rechtspraak

Vaststelling dagloon herintreder. Beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet.

Appellante heeft zich in augustus 2011 in Nederland gevestigd en is op 12 september 2011 in dienst getreden van werkgeefster. Als gevolg van een fietsongeval heeft appellante haar werkzaamheden bij werkgeefster diezelfde maand, op 26 september 2011 moeten staken. Per 23 september 2013 is appellante in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Gelet op het feit dat zij vanaf de aanvang van het refertejaar tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon heeft genoten, is zij voor de vaststelling van het dagloon beschouwd als herintreder. Overeenkomstig artikel 18 lid 2 Dagloonbesluit werknemersverzekeringen heeft UWV het dagloon vastgesteld op € 7,04 bruto. Tegen dit besluit maakt appellante bezwaar. Het bezwaar en het beroep tegen het bestreden besluit zijn ongegrond verklaard. UWV heeft naar aanleiding van het hogerberoepschrift en een vraagstelling van de Raad het dagloon vastgesteld op € 14,08. In hoger beroep voert appellante aan dat toepassing van artikel 18 lid 2 van het Besluit tot een onbillijke uitkomst leidt. Het dagloon van appellante valt onredelijk laag uit doordat appellante werkzaam was op basis van een flexcontract en zij in de periode dat ze heeft gewerkt, minder uren heeft gewerkt dan de overeengekomen arbeidsomvang van gemiddeld 20 uren per week, terwijl in de situatie dat een verzekerde in het geheel niet heeft gewerkt en het aantal dagloondagen dus nul is, het dagloon met toepassing van het derde lid van artikel 18 van het Besluit wordt vastgesteld op het overeengekomen loon per dag. Volgens appellante valt zij tussen wal en schip doordat zij wel heeft gewerkt, maar minder uren dan was overeengekomen. Appellante doet een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat de hoogte van het dagloon niet in overeenstemming is met het loondervingsbeginsel van de Wet WIA.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Aangezien appellante in het hele refertejaar geen loon heeft genoten, heeft UWV terecht artikel 18 lid 2 van het Besluit op appellante van toepassing geacht. UWV heeft terecht het door appellante in de periode van 12 september 2011 tot en met 25 september 2011 ontvangen loon gedeeld door het aantal dagloondagen in deze periode, te weten tien dagloondagen. Dat het dagloon van appellante onder toepassing van artikel 18 lid 2 van het Besluit toch laag uitvalt, is geen specifiek gevolg van de afwijkende berekening van het dagloon, maar een consequentie van het feit dat appellante in de periode van 12 september 2011 tot en met 25 september 2011 weinig uren heeft gewerkt. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd waarom toepassing van artikel 18 lid 2 van het Besluit in haar geval zo onredelijk uitvalt dat dit artikellid buiten toepassing moet worden gelaten.