Rechtspraak
Werknemer is vanaf 1986 werkzaam als machinebediener in dienst van appellante. Hij is op 10 augustus 2010 uitgevallen voor zijn werkzaamheden wegens klachten van kortademigheid en pijn op de borst. Wegens stagnatie in de re-integratie heeft de bedrijfsarts in mei 2011 een arbeidskundig onderzoek geadviseerd. Op basis van de door de bedrijfsarts opgestelde FML heeft de arbeidsdeskundige een arbeidskundig rapport uitgebracht. De bedrijfsarts heeft werknemer vanaf augustus 2011 volledig arbeidsongeschikt geacht. Werknemer heeft daarna niet meer gewerkt. Naar aanleiding van de aanvraag voor een Wet WIA-uitkering heeft UWV bij besluit van 28 juni 2012 aan appellante een loonsanctie opgelegd. UWV stelt dat er vanaf augustus 2011, terwijl er wel sprake was van belastbaarheid voor passend werk, ten onrechte geen re-integratie-inspanningen zijn verricht, zodat er sprake is van tekortkomingen in de re-integratie waardoor re-integratiekansen kunnen zijn gemist. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de medische beoordelingen van de bedrijfsarts, de arts-gemachtigde, de arts van Ergatis en de huisarts. Uit de medische stukken volgt volgens appellante dat werknemer niet inzetbaar is in een normale arbeidssituatie. Hij is in zodanige mate en blijvend beperkt dat er geen reƫle arbeidsmogelijkheden waren en zijn die benut hadden kunnen worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ten tijde van de beoordeling van de WIA-aanvraag door UWV op grond van artikel 65 van de Wet WIA in juni 2012, was werknemer niet herplaatst in passende arbeid in het bedrijf van appellante en was hij evenmin aan het werk in het bedrijf van een andere werkgever. Uit de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: Beleidsregels) volgt dat in een situatie waarin geen (gehele of gedeeltelijke) werkhervatting is bereikt, slechts sprake is van een bevredigend resultaat als functionele mogelijkheden bij een werknemer ontbreken of als de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer zo gering zijn dat de werkgever in redelijkheid van hem geen, op zijn re-integratie gerichte, inspanningen kan verwachten. In de kern houdt partijen verdeeld of appellante terecht ervan uit is gegaan dat werknemer vanaf augustus 2011 geen arbeidsmogelijkheden had. Appellante heeft zich over de gezondheidstoestand van werknemer laten adviseren door haar bedrijfsarts. Op grond van vaste rechtspraak is het voor risico van een werkgever dat hij afgaat op een advies van een door hem ingeschakelde bedrijfsarts dat later onjuist of onvoldoende onderbouwd blijkt te zijn geweest (onder meer ECLI:NL:CRVB:2011:BR5270). Uit verschillende medische rapporten die appellante na het loonsanctiebesluit tot in hoger beroep als onderbouwing heeft gegeven voor haar standpunt blijkt dat werknemer wel geschikt werd geacht voor licht werk. De rapporten kunnen het gebrek aan re-integratie-inspanningen aldus niet opheffen. Dat werknemer inmiddels na het loonsanctiejaar in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen vindt de toekenning van een dergelijke uitkering achteraf plaats op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan hier aan de orde. Daaruit kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of appellante in de hier relevante periode voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht (zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2015:1413). UWV heeft terecht een loonsanctie opgelegd.