Naar boven ↑

Rechtspraak

Nu toerekening van de WGA-uitkering aan appellante in rechte is vast komen te staan, betreft de omstandigheid dat appellante niet op de hoogte was van de besluiten over de toekenning van de WGA-uitkering aan de ex-werkneemster geen reden om van verhaal af te zien.

Met ingang van 1 januari 2010 is appellante eigenrisicodrager voor de WGA geworden. Een ex-werkneemster van appellante heeft bij UWV gemeld dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 oktober 2010. Bij besluit van 16 februari 2011 heeft UWV meegedeeld dat voor de ex-werkneemster recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 5 oktober 2010, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Bij brief van 22 november 2012 heeft UWV aan appellante meegedeeld dat de WGA-uitkering van de ex-werkneemster voor rekening komt van appellante aangezien zij eigenrisicodraagster is. Het toerekeningsbesluit dateert van 27 december 2012. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar ingediend. Bij besluit van 1 maart 2013 heeft UWV appellante meegedeeld dat de WGA-uitkering van de ex-werkneemster over de periode van 5 oktober 2010 tot 1 maart 2013, ten bedrage van € 24.307,38 op haar wordt verhaald (verhaalsbesluit). Nadien zijn meerdere verhaalsbesluiten gevolgd die zien op de periode na 1 maart 2013.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit met betrekking tot het ontstaan van een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 5 oktober 2010, de omzetting van de loongerelateerde WGA-uitkering in een loonaanvullingsuitkering en de afwijzing van het verzoek om toekenning van een IVA-uitkering. Het bezwaar wordt door UWV ontvankelijk geacht omdat appellante niet eerder kennis heeft genomen van deze besluiten en daarom niet eerder bezwaar heeft kunnen maken. In hoger beroep stelt appellante dat de ex-werkneemster op 5 oktober 2010 is uitgevallen wegens een andere ziekteoorzaak dan op grond waarvan zij tot 7 april 2009 een WGA-uitkering had toegekend gekregen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 57 van de Wet WIA, eerste lid, aanhef en onder b, herleeft het recht op een WGA-uitkering, indien op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel a, tweede of derde lid, het recht op die uitkering is geëindigd, op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering. Volgens vaste rechtspraak inzake de artikelen 39a en 43a van de WAO dient buiten twijfel te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in die artikelen niet van toepassing zijn, waarbij de bewijslast in beginsel rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is. Dat geldt evenzeer voor de toepassing van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (zie ECLI:NL:CRVB:2010:BM2700). Door appellante is niet voldoende onderbouwd dat buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak.

Appellante heeft eveneens bezwaar gemaakt tegen de verhaalsbesluiten van 1 maart 2013, waarbij zij onder meer heeft aangevoerd niet op de hoogte te zijn geweest van de besluiten over de toekenning van de WGA-uitkering aan de ex-werkneemster met ingang van 5 oktober 2010. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat met het toerekeningsbesluit van 27 december 2012 in rechte vaststaat dat appellante eigenrisicodrager is voor de WGA-uitkering van de ex-werkneemster. UWV is – bij het in gebreke blijven van betaling door appellante – op grond van artikel 83 Wet WIA verplicht de uitkering te betalen aan de ex-werkneemster en te verhalen op appellante. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van 17 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA2154 en 2 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3383) zijn er echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Wat door appellante is aangevoerd, is echter geen reden om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat appellante in het kader van de besluitvorming omtrent het aanvragen van het eigenrisicodragerschap een eigen onderzoeksplicht had.