Rechtspraak
Met ingang van 16 januari 2012 ontvangt appellant een WW-uitkering, berekend naar een arbeidsurenverlies van 34,83 uur per week. In week 8 van 2012 werkt appellant één dag voor B.V. X. Vanaf 26 maart 2013 werkt appellant voor B.V. Y. Appellant meldt op 16 mei 2013 aan UWV dat hij per 26 maart 2013 voor gemiddeld 24 uren per week werkt voor B.V. Y. Op 24 juli 2013 besluit UWV de WW-uitkering van appellant over de weken 8 en 15 tot en met 19 van 2013 te herzien, zijn uitkering over week 14 van 2013 in te trekken en de over deze weken onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen (besluit I). Tevens legt UWV aan appellant wegens het niet opgeven van zijn werkzaamheden voor B.V. X in week 8 van 2013 en het te laat opgeven van zijn werkzaamheden voor B.V. Y een boete op van € 450 (besluit II). Tegen besluit II maakt appellant bezwaar, hetgeen UWV ongegrond verklaart. Ook de rechtbank verklaart het beroep van appellant tegen besluit II ongegrond. Appellant stelt vervolgens hoger beroep in. Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, bepaalt UWV bij besluit van 13 februari 2015 hangende de procedure de boete nader op € 230 (besluit III).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ter zitting wijzigt UWV het ingenomen standpunt in zoverre dat voor het niet opgeven van één dag werken voor B.V. X wegens de geringe ernst van de overtreding geen boete moet worden opgelegd en dat voor het te laat en onjuist opgeven van werkzaamheden voor B.V. Y een boete moet worden opgelegd van € 220. Besluit III wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete verwijst de Raad naar de overwegingen 5.4 en 7.1 tot en met 7.9 van de hierboven genoemde uitspraak. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat het opleggen van een boete voor het te laat verstrekken van inlichtingen over zijn werkzaamheden voor B.V. Y achterwege moet blijven. Hij heeft weliswaar uit eigen beweging gemeld dat hij voor B.V. Y was gaan werken, maar hij heeft dat niet onverwijld gedaan. Pas acht weken na zijn indiensttreding heeft hij dat aan UWV gemeld. UWV was daarom gehouden voor deze overtreding van de inlichtingenverplichting appellant een boete op te leggen. UWV heeft terecht verminderde verwijtbaarheid aangenomen. Dit resulteert met toepassing van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten in een bedrag van € 220. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 220 uit te gaan. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.