Rechtspraak
Met ingang van 13 juli 2009 ontvangt appellant een WW-uitkering. Op 11 maart meldt appellant zich ziek. Zijn WW-uitkering wordt na 13 weken van ziekte beëindigd en met ingang van 10 juni 2011 ontvangt appellant een ZW-uitkering. Vanaf 1 december 2011 tot en met 31 mei 2012 werkt appellant in het kader van een proefplaatsing en met toestemming van UWV als vrachtwagenchauffeur bij X. Nadat appellant per 1 juni 2012 hersteld wordt verklaard door UWV, verricht hij aansluitend aan de proefplaatsing werkzaamheden voor X. Vervolgens hebben appellant en X samen een VOF opgericht, waarvan appellant op 23 juli 2012 uittreedt als vennoot. Uit de gegevens in Suwinet blijkt dat X aan appellant vanaf 1 juni 2012 tot en met 31 augustus 2012 iedere maand € 1.656,14 betaalt. Appellant doet op 6 augustus 2012 een aanvraag inzake de herleving van zijn WW-uitkering. Op 27 augustus 2012 zet UWV de WW-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2012 voort. Op 2 september 2012 eindigt de WW-uitkering van appellant wegens het bereiken van de maximumuitkeringsduur. Op inkomstenformulieren meldt appellant dat zijn werkzaamheden met ingang van 27 juli 2012 bij X volledig zijn beëindigd en dat hij vanaf 29 augustus 2012 als zelfstandige bij Y werkt. UWV herziet op 8 juli 2013 de WW-uitkering van appellant en vordert over de periode van 30 juli 2012 tot 2 september 2012 een bedrag van € 895,47 bruto aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug (besluit I). Eveneens legt UWV aan appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete op van € 90 (besluit II). Appellant stelt bezwaar en beroep in tegen besluit II, hetgeen ongegrond wordt verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Gelet op de bewoordingen van het bezwaarschrift met het daarbij gevoegde besluit wordt met de rechtbank vastgesteld dat het bezwaar alleen gericht was tegen besluit II en niet mede gericht was tegen besluit I. Besluit I is dan ook in rechte onaantastbaar geworden, maar de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd niet. Die feiten kunnen in volle omvang worden beoordeeld evenals de gestelde verwijtbare overtreding van de inlichtingenplicht in het kader van de beoordeling van het boetebesluit. Daarbij geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), als uitgangspunt dat op UWV de bewijslast rust ten aanzien van de feiten op basis waarvan een overtreding van de inlichtingenverplichting is geconstateerd. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en ABvRS van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2511). Staat de overtreding vast, dan is van essentiële betekenis dat de overtreder van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt (CRvB 19 augustus 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:2827 en CRvB 4 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:622). De gestelde overtreding is gebaseerd op de van X verkregen gegevens uit Suwinet, waarvan appellant de juistheid daarvan van meet af aan heeft betwist. Appellant heeft namelijk aangevoerd dat hij onenigheid met X heeft gekregen over het uitblijven van betalingen en dat hij daardoor is gaan twijfelen aan de oprechtheid van X en er vermoedens van frauduleus handelen zijn ontstaan. Appellant heeft daarvan ook melding gemaakt bij de Belastingdienst en informatie opgevraagd over de gevolgen van beëindiging van de samenwerking met X. Appellant heeft in bezwaar een verklaring van de Belastingdienst overhandigd, waarin het vorige wordt bevestigd. Na dit gesprek heeft appellant niet meer voor X gewerkt. Bovendien heeft appellant op inkomstenformulieren over de perioden van 30 juli 2012 tot en met 19 augustus 2012 en van 20 augustus 2012 tot en met 2 september 2012 de vraag of hij in die perioden heeft gewerkt of loon heeft ontvangen ontkennend beantwoord en heeft hij vermeld dat zijn werkzaamheden met ingang van 27 juli 2012 volledig zijn beëindigd en dat hij vanaf 29 augustus 2012 bij Y is gaan werken als zelfstandige. UWV heeft nagelaten informatie in te winnen bij de Belastingdienst en bij X, waardoor er geen onderzoek is gedaan naar de juistheid van hetgeen appellant in bezwaar tegen besluit II heeft aangevoerd. Gelet op hetgeen appellant heeft vermeld op zijn inkomstenformulieren en hetgeen hij in deze procedure heeft aangevoerd, is schending van de inlichtingenverplichting niet vast komen te staan en was UWV niet bevoegd appellant een boete op te leggen. De Raad verklaart het beroep gegrond en herroept het boetebesluit.