Rechtspraak
Bij appellante was werkzaam werkneemster die zich op 7 oktober 2011 ziek meldde. Op verzoek van appellante is de arbeidsovereenkomst met werkneemster door de kantonrechter bij beschikking van 25 januari 2013 met ingang van 1 maart 2013 ontbonden. Werkneemster is met ingang van 1 maart 2013 een ZW-uitkering toegekend. UWV oordeelt dat appellante zich voorafgaand aan het einde van het dienstverband met werkneemster onvoldoende heeft ingespannen om werkneemster in passend werk te re-integreren. Bij besluit van 24 juli 2013 (het verhaalsbesluit) besluit UWV de ZW-uitkering op appellante over de periode van 1 maart tot en met 27 juni 2013 te verhalen. Het bezwaar en beroep van appellante, die zich richten tegen het verhaalsbesluit, worden ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat appellante zonder deugdelijke grond heeft afgezien van re-integratie-inspanningen in het tweede spoor. Appellante voert in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening is gehouden met haar bedrijfseconomische positie waardoor zij genoodzaakt was het personeelsbestand te reduceren. Op 12 november 2012 deed appellante aan werkneemster de mededeling dat zij diende te komen tot een beƫindiging van het dienstverband. Er was toen geen reden meer om het tweede spoor naar passend werk aan te vangen, aldus appellante.
De Centrale Raad van Beroep overweegt als volgt. Op grond van artikel 39a, lid 1, ZW verhaalt UWV de ZW-uitkering en de over deze uitkering verschuldigde premies op de werkgever over een door UWV vast te stellen tijdvak, als bij de beoordeling van het re-integratieverslag wordt vastgesteld dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. De beoordeling van het re-integratieverslag vindt plaats aan de hand van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar en de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter (de Beleidsregels). In paragraaf 11 van de Beleidsregels is neergelegd dat, als sprake is van beƫindiging van het dienstverband tijdens de eerste twee ziektejaren, bij de beoordeling wat in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd een medebepalende factor is de door de werkgever voor re-integratie te maken kosten in relatie tot de resterende duur van het dienstverband. Op 26 oktober 2012 heeft de bedrijfsarts in zijn terugkoppeling gesteld dat naast opbouw in uren bij appellante formeel tijdens de duur van het verzuim ook gekeken moet worden naar ander werk al dan niet bij de eigen werkgever en daarvoor eigenlijk een arbeidsdeskundig onderzoek nodig is. Appellante heeft een re-integratiedeskundige ingeschakeld die op 7 november 2012 een eerste gesprek met werkneemster heeft gevoerd. Een tweede gesprek is door appellante afgezegd omdat inmiddels de mededeling aan werkneemster was gedaan dat haar functie kwam te vervallen. Volgens de Raad is van opvolging van het advies van de bedrijfsarts ten tijde van het in paragraaf 5 van de Beleidsregels bedoelde 'opschudmoment' dan ook geen sprake geweest. Met het inschakelen van de re-integratiedeskundige is geen uitvoering gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om een arbeidsdeskundig onderzoek in te stellen naar (verdere) mogelijkheden in het eerste en tweede spoor. Toen werkneemster op 12 november 2012 op de hoogte werd gesteld van het ontslagvoornemen stond niet vast dat het einde van het dienstverband tijdens de periode van ongeschiktheid zou worden gerealiseerd. Appellante moest er rekening mee houden dat de ontslagprocedure niet de door haar gewenste uitkomst zou hebben. Juist dat voornemen had aanleiding moeten zijn het tweede spoor in te zetten. Zelfs toen met de beschikking van 25 januari 2013 het einde per 1 maart 2013 vaststond, lag het afzien van re-integratie-inspanningen niet voor de hand, aldus de Raad. In dat geval had appellante UWV kunnen verzoeken te participeren in de keuze van het in te zetten re-integratietraject.