Rechtspraak
UWV stelt vast dat voor werknemer per 7 januari 2013 een recht is ontstaan op een WGA-uitkering. De werkgever stelt bezwaar en beroep in tegen dit besluit. In hoger beroep herhaalt appellant haar beroepsgronden en stelt dat de werknemer niet alleen volledig maar tevens duurzaam arbeidsongeschikt is. Er is sprake van een langdurig en chronisch ziektebeeld waarvoor de werknemer al jaren behandeling ondergaat; medisch is niet aantoonbaar dat er op termijn verbetering van de belastbaarheid van de werknemer zal optreden. Voor zover er verbetering te verwachten zal zijn, is hiervan eerst op lange termijn sprake en niet in het komende jaar of het jaar daarna. Voorts wijst appellante op het feit dat aan de werknemer met ingang van 23 september 2013 op basis van hetzelfde feitencomplex een IVA-uitkering is toegekend.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het standpunt van UWV dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet duurzaam is, voldoende is toegelicht en niet onjuist is. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896. Dat de te verwachten verbeteringen zich niet hebben gerealiseerd en de werknemer met ingang van 23 september 2013 alsnog een IVA-uitkering toegekend heeft gekregen, doet aan het vorenstaande niet af. Immers, zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 16 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027), vormt de omstandigheid, dat een behandeling – achteraf gezien – geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan op datum in geding was te verwachten, op zichzelf geen grond om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die bestond ten tijde van de in dit geding van belang zijnde datum, voor onjuist moet worden gehouden. Beoordeeld moet immers worden de inschatting die de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten tijde van zijn beoordeling heeft gemaakt op grond van de toen voorhanden zijnde medische informatie.