Naar boven ↑

Rechtspraak

Bij het vaststellen van schade als gevolg van de ten onrechte bekorte loonsanctieperiode komt betekenis toe aan hetgeen werkgever gedurende de loonsanctieperiode aan appellant heeft betaald.

Bij besluit van 12 september 2011 heeft UWV een loonsanctie opgelegd aan werkgeefster omdat zij niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. De loonsanctieperiode duurt tot 29 november 2012. UWV bepaalt bij besluit van 18 oktober 2012 dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster alsnog voldoende worden geacht en de loonsanctie met terugwerkende kracht tot 25 juli 2012 zal worden bekort. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster als onvoldoende moeten worden aangemerkt, waardoor de loonsanctie ten onrechte is bekort. Appellant vordert op grond van het onrechtmatige besluit tot het bekorten van de loonsanctieperiode een schadevergoeding.

De Raad oordeelt als volgt. De erkenning door UWV dat het besluit van 18 oktober 2012 onrechtmatig was, brengt dat de schadeplicht in beginsel is gegeven (zie ECLI:NL:CRVB:2008:BE9370). Ter beoordeling staat het verzoek van appellant om UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar gestelde schade. Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zo veel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. De Raad heeft eerder geoordeeld (zie ECLI:NL:CRVB:2014:1268) dat het in overeenstemming is met het uitgangspunt in het civiele schadevergoedingsrecht dat alleen daadwerkelijk geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt en dat bij het wegvallen van een inkomstenbron geen schade wordt geleden als andere inkomsten daarvoor in de plaats komen. Bij de berekening van de schadevergoeding mogen aldus op een bedrag aan gemist loon de over de betreffende periode ontvangen uitkeringen in mindering worden gebracht. Uit de uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4248) volgt dat UWV bij de berekening van de aan een werknemer verschuldigde schadevergoeding als ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd alleen 100% van het loon tot uitgangspunt hoeft te nemen als de werkgever daartoe op grond van de (collectieve) arbeidsovereenkomst is verplicht. Uit de van toepassing zijnde cao blijkt niet dat werkgeefster gehouden was om in het derde ziektejaar 100% van het loon door te betalen. Uit het voorgaande zou volgen dat in het geval aan werkgeefster ten onrechte geen loonsanctie was opgelegd, de loonschade die appellant stelt te hebben geleden tot 70% van het voor hem geldende loon aan UWV kan worden toegerekend. Voor appellant geldt echter dat niet ten onrechte door UWV geen loonsanctie is opgelegd, maar dat UWV de loonsanctieperiode ten onrechte heeft bekort. In deze situatie brengt het uitgangspunt dat de schuldeiser zo veel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden mee dat betekenis toekomt aan wat werkgeefster gedurende de loonsanctieperiode aan appellant heeft betaald bij de begroting van de schade die over de periode van 25 juli 2012 tot en met 30 november 2012 is geleden. Reden om voor de schade van appellant als gevolg van de ten onrechte bekorte loonsanctieperiode niet terug te vallen op wat werknemer en werkgever contractueel hebben vastgelegd maar een inschatting te maken van de vermoedelijke toestand als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden, is erin gelegen dat appellant niet de hoogte van de loonbetaling heeft bepaald. De te beantwoorden vraag is dan ook of aan de beschikbare loongegevens het vermoeden kan worden ontleend dat werkgeefster hem het volledige loon zou hebben betaald gedurende het restant van het derde ziektejaar als UWV de loonsanctieperiode niet had bekort. Aan de betaling van 100% gedurende de eerste tien maanden van het derde ziektejaar kan het vermoeden worden ontleend dat werkgeefster inderdaad de betaling van 100% van het loon gedurende de laatste twee maanden van het derde ziektejaar zou hebben gecontinueerd als het bestreden besluit anders had geluid. Het hoger beroep slaagt. De door appellant gestelde loonschade tot en met 30 november 2012 dient volledig te worden toegerekend aan het onrechtmatige besluit.