Rechtspraak
Op 16 december 2008 verleent UWV een ontslagvergunning aan de werkgeefster van appellant, waarna appellant ontslag wordt aangezegd. Appellant meldt zich op 18 januari 2013 met terugwerkende kracht per 28 juli 2008 ziek in verband met psychische klachten. UWV weigert de ZW-uitkering, omdat appellant verwijtbaar werkloos is en daarmee een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Van een benadelingshandeling kan sprake zijn als de werknemer zich zodanig heeft gedragen dat was te voorzien dat zijn gedragingen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zouden leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever daarbij in het bijzonder oog heeft gehad voor de situatie waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment waarop het ongeschiktheidrisico reeds is ingetreden. Appellant heeft zich ten aanzien van de ziekmeldingen van 30 juni 2008 en 28 juli 2008 niet gehouden aan de gestelde regels en niet meegewerkt aan re-integratie. Na de opschorting van de loondoorbetaling met ingang van 14 juli 2008 is een reactie van appellant uitgebleven. Appellant had moeten beseffen dat zijn gedragingen tijdens ziekte zouden kunnen leiden tot een verstoring van de arbeidsrelatie en een vertrouwensbreuk met zijn werkgever. De Raad oordeelt dat aldus sprake is van een benadelingshandeling. Niet is gebleken dat appellant vanwege psychische problemen het ontslag niet, of in mindere mate, kon worden verweten. Evenmin is gebleken dat werkgeefster zich niet als goed werkgever heeft gedragen, door niet het geadviseerde traject op te starten. Nu appellant niet van zich liet horen nadat werkgeefster verschillende malen contact opnam voor het opstarten van het traject, is het voorstelbaar dat werkgeefster niet verder is gegaan met deze start. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.