Rechtspraak
Werkneemster van appellante valt op 8 augustus 2011 als gevolg van rugklachten uit voor haar werk en vraagt op 13 mei 2013 een WIA-uitkering aan. Op 31 mei 2013 legt UWV aan appellante een loonsanctie voor de duur van 52 weken op, omdat appellante niet aan haar re-integratieverplichtingen in het kader van de Wet WIA voldoet. In juli en augustus 2013 verzoekt appellante UWV de opgelegde loonsanctie te bekorten, hetgeen UWV weigert omdat appellante de tekortkoming(en) nog niet heeft hersteld. Appellante maakt daartegen bezwaar, hetgeen UWV ongegrond verklaart. Ook de rechtbank verklaart het ingestelde beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA ligt het op de weg van appellante om aan te tonen dat zij de tekortkomingen ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld. Geoordeeld wordt dat appellante daarin niet is geslaagd. In haar rapport heeft de arbeidsdeskundige van UWV onder meer neergelegd dat de tekortkoming in de re-integratieverplichting van appellante eruit bestaat dat appellante geen re-integratie-activiteiten in het tweede spoor heeft ingezet, hoewel werkneemster daartoe wel mogelijkheden had. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vermeld op welke wijze appellante haar tekortkoming in de re-integratie-inspanningen kan herstellen. Appellante dient volgens de arbeidsdeskundige alsnog een adequaat traject in het tweede spoor op te zetten. Ook heeft de arbeidsdeskundige vermeld wat na reparatie van de tekortkoming als bevredigend re-integratieresultaat wordt gezien. Ter onderbouwing van het bekortingsverzoek heeft appellante een intakerapport re-integratietraject ingebracht. De opsteller van dit rapport heeft geconcludeerd dat er voor werkneemster geen reële mogelijkheden zijn voor het tweede spoor. Deze conclusie mist volgens de Raad een inzichtelijke en draagkrachtige onderbouwing, omdat ze verwijst naar ‘niet beïnvloedbare factoren’ (zoals leeftijd, leervermogen, werkervaring en de beperkingen van werkneemster), maar op geen enkele wijze wordt nader gemotiveerd waarom die factoren verdere re-integratie-inspanningen zinledig zouden maken. Daarnaast is appellante uitgelegd dat, ook al is werkneemster gelet op haar leeftijd en medische beperkingen moeilijk te bemiddelen naar betaald werk, de Wet verbetering poortwachter die bemiddeling van de werkgever wel eist. Pas wanneer na een ingezet re-integratietraject blijkt dat re-integratie niet lukt, kunnen probleemanalyse en plan van aanpak worden bijgesteld, en kan vervolgens blijken dat een verder traject niet zinvol is. Omdat door appellante geen adequaat tweede spoortraject is ingezet, heeft UWV terecht de loonsanctie niet bekort. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.