Naar boven ↑

Rechtspraak

Bezwaarprocedure UWV inzake herroeping al dan niet opgelegde loonsanctie is niet in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Werkneemster van appellante valt op 9 augustus 2011 uit en vraagt op 16 mei 2013 een WIA-uitkering aan. UWV legt op 20 juni 2013 aan appellante een loonsanctie op, omdat door appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht zonder dat daarvoor een deugdelijke grond aanwezig is. Appellante stelt bezwaar en beroep in, hetgeen ongegrond wordt verklaard. In hoger beroep voert appellante aan dat de bezwaarprocedure van UWV, waarbij toezicht bestaat op de uitkomst van de bezwaarprocedure door een commissie die eveneens toezicht houdt op de aanvankelijke beslissing om een loonsanctie op te leggen, zich niet verhoudt met de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In zijn eerdere rechtspraak (zie bijvoorbeeld uitspraken van 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1718 en 18 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4053) heeft de Raad de door UWV beschreven rol weergegeven van de zogenoemde Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) in het geval de bezwaargronden aanleiding geven om een beslissing over een al dan niet opgelegde loonsanctie te herroepen. Dat volgens UWV advisering door de BLLC niet nodig is als op grond van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken wordt geconcludeerd tot handhaving van het primaire besluit, heeft in die zaken niet geleid tot het oordeel dat sprake was van strijdigheid met de Awb. De situatie van appellante, waarin op grond van het onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is geconcludeerd tot handhaving van het besluit van de loonsanctie geeft geen aanleiding over de rol van de BLLC nu anders te oordelen. Van een handelen van UWV in strijd met de Awb is geen sprake geweest. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.