Rechtspraak
Appellant is uitzendkracht. Op 10 juni 2013 heeft hij zich ziek gemeld. Op 4 september 2013 heeft UWV appellant laten weten dat de uitkering op grond van de ZW stopt, omdat hij niet op het medisch spreekuur van 23 augustus en 2 september 2013 is verschenen. Op 11 november 2013 is het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Er dient alsnog te worden geoordeeld of appellant op 23 augustus 2013 recht heeft op ZW-uitkering, nu de beƫindiging onzorgvuldig tot stand is gekomen (besluit 1). Op 7 november 2013 heeft UWV appellant laten weten dat hij geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat er vanaf 23 augustus 2013 geen beperkingen meer bestaan om het werk uit te voeren (besluit 2). Aan dit oordeel ligt een rapport van een arts van UWV ten grondslag. De rechtbank heeft UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, omdat het bestreden besluit (besluit 1) niet met voldoende zorgvuldigheid tot stand is gekomen nu appellant met terugwerkende kracht arbeidsongeschikt is geworden. Het besluit is hierna gewijzigd, zodat met ingang van 2 november 2013 geen recht meer bestaat op ZW-uitkering. In hoger beroep voert appellant aan dat het medische onderzoek onzorgvuldig is verricht.
De Centrale Raad van Beroep overweegt als volgt. Het feit dat appellant op het spreekuur niet door een verzekeringsarts is gezien, maar door een arts, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. Van belang is dat het rapport mede is ondertekend door een geregistreerd verzekeringsarts. Na bezwaar is het rapport bekeken door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en deze heeft persoonlijk contact niet noodzakelijk geacht, omdat geen sprake bleek van evidente lacunes in de oordeelvorming. Deze conclusie is niet onjuist gebleken. Appellant stelt dat de stukken die hij heeft aangeboden, niet zijn aangenomen. Uit het rapport blijkt dat de arts deze informatie uit de stukken heeft overgenomen. Ook aanvullende informatie aangeleverd in bezwaar is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld. Desgevraagd heeft appellant aangegeven dat er geen relevante stukken in het geding ontbreken. Ook is geen sprake van onvoldoende beeld van de werkzaamheden. In tegenstelling tot wat appellant aanvoert, is er voldoende rekening gehouden met de diagnose PTSS. Dit leidt echter niet tot beperkingen die leiden tot overschrijding van de psychische belastbaarheid. Op grond van bovenstaande wordt het beroep ongegrond verklaard en stelt de Centrale Raad van Beroep vast dat er geen aanspraak op een ZW-uitkering kan worden vastgesteld.