Naar boven ↑

Rechtspraak

Appellante heeft binnen de grenzen van de redelijkheid haar re-integratieverplichtingen verricht; het standpunt van UWV dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest zonder dat daarvoor een deugdelijke grond is, wordt niet gedragen door een afdoende motivering.

Werknemer, werkzaam in de groenvoorziening in dienst van appellante in een arbeidsomvang van 36 uur per week, meldt zich wegens psychische en fysieke klachten met ingang van 9 april 2010 ziek. Op therapeutische basis werkt werknemer in 2010 enige tijd in moestuin De Stee te Nunspeet. Vanaf eind april 2010 wordt werknemer in psychiatrische behandeling genomen bij ggz CENtraal. In overleg tussen werknemer en zijn sociaal psychiatrisch verpleegkundige wordt een Wsw-indicatie aangevraagd, die leidt tot een positief indicatiebesluit van 11 februari 2011 van UWV Werkbedrijf, geldig tot 11 februari 2014. In het besluit is vermeld dat werknemer is ingedeeld in de categorie ‘ernstig’ omdat hij steeds werkbegeleiding nodig heeft om hem te ondersteunen, die niet realiseerbaar is in een reguliere werksituatie. In overleg met appellante is werknemer op basis van een overeenkomst werkervaringsperiode met ingang van 19 april 2011 voor de duur van een jaar gestart met werkzaamheden in de groenvoorziening bij Gresbo BV, een sociaal werkbedrijf te Nunspeet. Op verzoek van appellante is op 8 juli 2011 een deskundigenoordeel gegeven. In het daaraan ten grondslag liggend arbeidskundig rapport is vermeld dat de re-integratie-inspanningen van appellante tot dan onvoldoende waren. Volgens de arbeidsdeskundige is het niet zeker dat werknemer ondanks de afgegeven Wsw-indicatie niet kan terugkeren in een reguliere arbeidssituatie met wat extra begeleiding en zou appellante op twee sporen tegelijk moeten werken aan terugkeer van werknemer op de arbeidsmarkt. Op 2 januari 2012 dient werknemer een aanvraag in voor een WIA-uitkering. De daaropvolgende beoordeling van de re-integratie-inspanningen van appellante door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van UWV leidt tot een besluit van 19 maart 2012, nadat eerder bij besluit van 18 januari 2012 een administratieve loonsanctie was opgelegd. Samengevat is overwogen dat appellante na de Wsw-indicatie zonder deugdelijke grond geen re-integratie-activiteiten meer in spoor 1 heeft verricht. Het bezwaar en beroep tegen het besluit worden ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In het rapport van de arbeidsdeskundige van UWV van 13 maart 2012, dat aan de loonsanctie ten grondslag ligt, is vermeld dat ondanks de uitkomst van het deskundigenoordeel appellante haar eigen lijn is blijven volgen. In dat oordeel is door UWV weergegeven dat ondanks de door UWV Werkbedrijf afgegeven Wsw-indicatie niet zeker is dat werknemer (nu of in de toekomst) niet kan terugkeren in een reguliere arbeidssituatie met wat extra begeleiding. In zijn rechtspraak heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het besluit tot oplegging van een loonsanctie een door UWV ambtshalve genomen besluit is, met een voor een werkgever belastend karakter. Gelet daarop – en mede in aanmerking genomen de Beleidsregels – is het naar het oordeel van de Raad aan UWV om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. UWV dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren en zal zich daarbij moeten houden aan de uitgangspunten van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar en het beoordelingskader van de Beleidsregels (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717).

In dit geval blijkt uit de informatie van de behandelend psychiater van 13 september 2012 dat werknemer wegens ernstige psychische klachten is uitgevallen, waarbij langdurige problemen op het werk aanleiding voor de crisis waren. Dat re-integratie in dat stadium eerst is ingezet via een therapeutische plaatsing is niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk dat, toen eenmaal bekend werd dat, vanuit het behandelteam van werknemer ondersteund, werd ingezet op een Wsw-indicatie en die indicatie werknemers situatie kwalificeerde als behorend tot de categorie ‘ernstig’, werd ingezet op re-integratie bij Gresbo. Immers, in de indicatie was vermeld dat in een werksituatie steeds begeleiding aanwezig moest zijn, die niet realiseerbaar was in een reguliere werksituatie. Weliswaar heeft de bedrijfsarts in het actueel oordeel van 22 december 2011 met juistheid gesteld dat een Wsw-indicatie op zichzelf geen reden is om verdere re-integratie-activiteiten achterwege te laten, maar in dit geval kan dat appellante niet worden tegengeworpen. De indicatie is immers gevolgd door een nieuwe stap in de re-integratie, namelijk de plaatsing op een werkervaringsplek bij Gresbo vanaf 19 april 2011 en waarbij vanaf 8 augustus 2011 in een zodanige omvang werkzaamheden werden verricht – 32 uur per week – dat aan werknemer vanaf die datum weer zijn volle salaris werd toegekend. Het tijdens de hogerberoepsfase ingezonden nader arbeidskundig onderzoek naar mogelijke passende functies voor werknemer bij appellante geeft evenmin voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat ten gevolge van het niet nader verkennen van dat spoor appellante zonder deugdelijke grond re-integratiekansen voor werknemer heeft gemist. Het hoger beroep slaagt. Appellante heeft verzocht om UWV te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij als werkgeefster heeft geleden als gevolg van de aan haar opgelegde loonsanctie. De Raad zal bepalen dat het vooronderzoek wordt heropend om appellante in de gelegenheid te stellen haar verzoek om schadevergoeding nader te specificeren en met bewijsstukken te onderbouwen.