Rechtspraak
Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker in België en is op 28 februari 2009 uitgevallen voor dat werk wegens maagklachten en psychische klachten. Wegens zijn ongeschiktheid heeft appellant in België een uitkering ontvangen. Deze uitkering is op 13 juni 2011 geëindigd. Hieraan ligt een rapport van de Nederlandse verzekeringsarts ten grondslag, waarin de geldende beperkingen voor appellant zijn vastgesteld. Met deze beperkingen wordt appellant in staat geacht tot het verrichten van lichte productiewerkzaamheden zonder machinebediening, lichte magazijnwerkzaamheden en de functie van printplaatmonteur. Na beëindiging van de Belgische uitkering heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. UWV heeft vastgesteld dat appellant vanaf 13 juni 2011 in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Op 19 april 2012 heeft appellant contact opgenomen met UWV in verband met een ziekmelding op 1 augustus 2011. Dit heeft geleid tot toekenning van een voorschot van ziekengeld op grond van de Ziektewet. Daarna is appellant gezien door een voor UWV werkzame arts. Deze heeft appellant per 1 augustus 2011 geschikt geacht voor zijn ‘maatgevende arbeid’. Bij besluit van 29 mei 2012 heeft UWV het aan appellant verstrekte voorschot teruggevorderd (besluit 1). Bij besluit van 6 juni 2012 heeft UWV vastgesteld dat appellant per 1 augustus 2011 geen recht heeft op ziekengeld. Door appellant is tegen beide besluiten tevergeefs bezwaar aangetekend. Hierna stelt appellant beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaart het beroep voor wat betreft besluit 1 gegrond, vernietigt het besluit en draagt UWV op een nieuw besluit te nemen. Ook het beroep gericht tegen besluit 2 verklaart de rechtbank gegrond, met vernietiging van het besluit en instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Besluit 2 is vernietigd, omdat UWV ten onrechte het tot 29 februari 2009 verrichte werk als productiemedewerker als grondslag heeft genomen. De rechtsgevolgen heeft de rechtbank wel in stand gelaten, omdat zij mede op basis van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2013 niet twijfelt aan het uitgangspunt van UWV dat op 1 augustus 2011 de belastbaarheid van appellant nog dezelfde was als omschreven in het rapport van de Nederlandse verzekeringsarts van 12 mei 2011.
Het hoger beroep van appellant is alleen gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van besluit 2, omdat hij van mening blijft dat hij niet vanaf 1 augustus 2011 in staat was arbeid te verrichten. Appellant stelt dat hij louter geschikt is voor werk onder beschutte omstandigheden, intensieve begeleiding en zonder enige druk. De Centrale Raad van Beroep volgt appellant hierin niet. Het gaat om de vraag of appellant in staat is 'zijn arbeid' te verrichten. Als na beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering WW-uitkering wordt ontvangen en tijdens het ontvangen van die WW-uitkering betrokkene zich ziek meldt, dan zijn de functies die ten grondslag hebben gelegen aan een beoordeling in het kader van die arbeidsongeschiktheidsuitkering te zien als arbeid van betrokkene, aldus de Centrale Raad van Beroep. Geschiktheid voor een van de functies is voldoende voor vaststelling dat geen recht bestaat op ziekengeld. De nadere toelichting en motivering van het rapport zijn eveneens inzichtelijk en concludent. Nu pas in hoger beroep een juiste juridische en feitelijke basis aan bestreden besluit 2 ten grondslag is gelegd, bestaat aanleiding UWV te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.