Rechtspraak
Bij appellant was werkzaam werkneemster die zich op 12 juli 2012 ziek meldde. Op verzoek van appellant heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met werkneemster met ingang van 16 juli 2013 ontbonden. Werkneemster heeft aansluitend recht op een ZW-uitkering. UWV oordeelt dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van werkneemster voorafgaand aan einde dienstverband. De zogenoemde stagnatieperiode wordt vastgesteld op 37 weken. De ZW-uitkering over die periode, inclusief werkgeverspremies, wordt verhaald op appellant. Het bezwaar en het beroep van appellant worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep laat de uitspraak van de rechtbank in stand, met verwijzing naar de artikelen 38 lid 2, 39a lid 1 en lid 4 ZW alsmede het Besluit verhaal ziekengeld. De beoordeling van het re-integratieverslag vindt plaats op basis van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar en de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter. De bedrijfsarts heeft in oktober 2012 mediation geadviseerd. Niet is bestreden dat deze te laat is opgestart en uiteindelijk niet van de grond is gekomen. Daarvoor bestond geen deugdelijke grond. Een eerdere start had escalatie kunnen voorkomen, waardoor appellant niet in de situatie was gekomen dat de basis voor succes beperkter was geworden. Appellant heeft ook overigens te weinig gedaan, in het eerste en tweede spoor. Bedrijfseconomische redenen waren daarbij niet van belang, nu appellant de kosten van re-integratie op de verzekering kon verhalen. De conclusie is dat appellant onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarvoor geen deugdelijke grond bestaat.