Naar boven ↑

Rechtspraak

Het besluit van UWV om een loonsanctie aan appellante op te leggen wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen mist een daadkrachtige onderbouwing. Appellante heeft het stopzetten van de re-integratie in het eerste spoor terecht gebaseerd op de medische en arbeidsdeskundige gegevens zoals vermeld in het rapport van de arbeidsdeskundige.

Werknemer X is in dienst van appellante in de functie van chauffeur. Op enig moment valt werknemer X uit vanwege onder andere klachten aan zijn knie. Appellante start met een re-integratietraject, dat allereerst gericht is op re-integratie in de eigen functie (re-integratie in het eerste spoor). In een rapport van 18 juni 2013 vermeldt de bedrijfsarts van appellante dat medisch gezien volledige re-integratie in het eigen werk, met aanpassingen, mogelijk is, maar dat dit wellicht minder verstandig is vanwege het hoge risico op vroegtijdige recidiveklachten en beperkingen door overbelasting. De bedrijfsarts adviseert in dat kader de re-integratie in ander werk bij een andere werkgever (re-integratie in het tweede spoor) parallel te continueren. Tevens adviseert de bedrijfsarts een arbeidsdeskundige te laten bepalen of re-integratie in de eigen functie met aanpassingen haalbaar is, gelet op de beperkingen van werknemer X. Naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts heeft een arbeidsdeskundige op 28 juni 2013 een rapport uitgebracht. In dat rapport komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat in het eigen werk van werknemer X een overschrijding plaatsvindt van zijn belastbaarheid, waardoor het eigen werk niet als passend wordt geacht, ook niet met aanpassingen. Binnen het eerste spoor zijn volgens de arbeidsdeskundige geen passende functies te duiden. Er vindt tevens overleg plaats tussen de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts, waarbij de bedrijfsarts aangeeft dat hij het standpunt van de arbeidsdeskundige onderschrijft dat het niet verstandig is als werknemer X het eigen werk uitvoert, omdat het risico op uitval en overbelasting volgens de bedrijfsarts groot is en het genezingsproces daardoor kan worden verlengd. Op grond daarvan adviseert de arbeidsdeskundige appellante intensief in te zetten op re-integratie in het tweede spoor, waarbij hij aangeeft dat mogelijkheden binnen het eerste spoor niet kunnen worden uitgesloten, omdat er nog geen medische eindsituatie is bereikt. Appellante besluit vervolgens de re-integratie van werknemer X in het eerste spoor met ingang van 3 juli 2013 stop te zetten.

In het kader van de WIA-aanvraag van werknemer X wordt aan appellante op 22 augustus 2013 een loonsanctie voor de duur van 52 weken opgelegd. Volgens UWV heeft appellante in het kader van de re-integratie van werknemer X onvoldoende inspanningen verricht, zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. Appellante maakt hiertegen bezwaar, hetgeen door UWV ongegrond wordt verklaard. Volgens UWV heeft appellante miskend dat de bedrijfsarts heeft gesteld dat re-integratie in eigen werk, met enige aanpassingen, mogelijk werd geacht. Op grond van het acuut stoppen van de re-integratie-inspanningen in het eerste spoor per 3 juli 2013 kon zodoende een loonsanctie worden opgelegd. Vervolgens gaat appellante in beroep, hetgeen door de rechtbank ook ongegrond wordt verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV dient aannemelijk te maken dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dient daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. In dat kader dient UWV zijn besluit deugdelijk te motiveren. Volgens de Raad mist het standpunt van UWV dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een draagkrachtige onderbouwing. Naar het oordeel van de Raad blijkt voldoende dat de handelwijze van appellante voortvloeide uit de medische en arbeidsdeskundige gegevens in het rapport van de arbeidsdeskundige. Verder weegt mee dat zelfs nadat het rapport van de bedrijfsarts van 18 juni 2013 door UWV was ontvangen, de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de bevindingen van de bedrijfsarts niets heeft gedaan, terwijl de bedrijfsarts in zijn rapport uitgesproken bedenkingen kenbaar heeft gemaakt tegen de duurzaamheid van de re-integratie van belanghebbende in eigen aangepast werk, zoals ook in het rapport van de arbeidsdeskundige is bevestigd. Vastgesteld wordt dat ook overigens in de gedingstukken geen beredeneerde uiteenzetting van het standpunt van UWV is aangetroffen dat als een voldoende grondslag kan dienen voor het bestreden besluit. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het loonsanctiebesluit wordt herroepen.