Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft terecht vastgesteld dat de herleefde WW-uitkering van appellant niet geldend gemaakt kan worden omdat de ontslagname van appellant heeft geleid tot verwijtbare werkloosheid.

Appellant ontvangt sinds 1 januari 2013 een WW-uitkering. In de periode vanaf 10 september 2013 tot 2 december 2013 ontvangt appellant wegens ziekte een ZW-uitkering. Met ingang van 2 december 2013 herleeft de WW-uitkering van appellant. Op 10 februari 2014 treedt appellant in dienst als medewerker technische dienst bij werkgeefster X. Op 26 maart 2014 neemt appellant ontslag bij werkgeefster X, omdat hij de werksituatie onwerkbaar acht, het werk niet leuk vindt en moet werken met gedateerd materiaal. Vervolgens vraagt appellant herleving van zijn WW-uitkering aan bij UWV. UWV stelt dat aan de voorwaarden voor herleving van de WW-uitkering van appellant is voldaan, maar dat de WW-uitkering niet aan appellant behoeft te worden uitbetaald omdat appellant wegens zijn ontslagname verwijtbaar werkloos is geworden. Hiertegen maakt appellant bezwaar. UWV verklaart het bezwaar van appellant ongegrond, omdat voor appellant geen acute noodzaak bestond ontslag te nemen en de door appellant genoemde redenen voor de ontslagname er niet toe leiden dat voortzetting van het dienstverband niet van appellant kon worden gevergd. Appellant gaat vervolgens in beroep, hetgeen door de rechtbank gegrond wordt verklaard omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter wel in stand gelaten. Het hoger beroep van appellant is dan ook gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellant voert in hoger beroep aan dat hij te snel na zijn uitval in 2013 weer is gaan werken, dat een voltijdse baan te zwaar voor hem was en dat de sfeer op het werk vijandig en dreigend was. Naar aanleiding van een woordenwisseling heeft appellant naar eigen zeggen wegens een oncontroleerbare impuls ontslag genomen. Nu werkgeefster X appellant niet heeft gewezen op de consequenties van de ontslagname en appellant geen juridisch advies heeft gekregen hieromtrent, is de ontslagname volgens hem niet verwijtbaar.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft terecht onderzocht of de herleefde uitkering geldend gemaakt kon worden en in dat kader bezien of de ontslagname van appellant tot verwijtbare werkloosheid heeft geleid. Hoewel de sfeer op het werk, zoals door appellant geschetst en zoals deze door hem werd ervaren, verre van aangenaam was en begrijpelijk is dat appellant niet langer bij werkgeefster X wilde blijven, was er gelet op de beperkte feitelijke onderbouwing van de gestelde onaangename werksfeer op 26 maart 2014 geen acute noodzaak om ontslag te nemen. Dat van hem niet kon worden gevergd nog langer in dienst te blijven en – bijvoorbeeld – vanuit die positie naar ander werk te zoeken is niet gebleken. Hieruit volgt dat de dienstbetrekking is beëindigd op verzoek van appellant zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd.

Uit de informatie die volgt uit een door appellant overgelegd neuropsychofyiologisch onderzoek kan niet worden afgeleid dat appellant zijn impulsen niet onder controle heeft. Appellant heeft gesteld dat dit onderzoek in een rustige en veilige omgeving heeft plaatsgevonden en daarom geen representatief beeld geeft van zijn handelen in een werksituatie als bij werkgeefster X. Ook indien die stelling juist is, dan heeft appellant daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij niet-verwijtbaar zijn impulsen niet onder controle zou hebben. Appellant is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zijn op 26 maart 2014 ontstane werkloosheid niet aan hem is te verwijten. Appellant heeft nog gesteld dat hij veel te snel en in een te grote omvang weer aan het werk is gegaan, dat werkgeefster X hem had moeten wijzen op de consequenties van zijn ontslagname en dat hij juridisch niet juist is geadviseerd over de ontstane situatie. Dit betoog kan appellant niet baten, omdat niet is gebleken dat hij nog ziek was toen de ZW-uitkering eindigde en omdat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn indiensttreding met ingang van 10 februari 2014, zijn ontslagname op 26 maart 2014 en de adviezen van door hem ingeschakelde personen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.