Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft ten onrechte aan appellante een administratieve loonsanctie opgelegd. Met de vaststelling dat ontbrekende documenten zijn ontvangen en het re-integratieverslag compleet is geworden, is het stadium waarin aan de werkgever een administratieve loonsanctie kan worden opgelegd gepasseerd.

Werkneemster X is werkzaam als Sales Advisor bij appellante. Op 16 oktober 2010 valt werkneemster X uit voor haar werkzaamheden en op 28 juli 2012 vraagt zij een WIA-uitkering aan bij UWV. UWV deelt vervolgens aan appellante op 2 augustus 2012 mee dat er nog documenten ten behoeve van het re-integratieverslag ontbreken. Appellante wordt in dat kader verzocht alsnog een tweetal formulieren toe te sturen. Nadat appellante de gevraagde documenten op 9 augustus 2012 heeft toegezonden, neemt UWV de WIA-aanvraag van werkneemster X in behandeling. In het kader van de WIA-aanvraag van werkneemster X wordt aan appellante op 7 september 2012 een loonsanctie voor de duur van 52 weken tot 13 oktober 2013 opgelegd. Volgens UWV heeft appellante in het kader van de re-integratie van werkneemster X onvoldoende inspanningen verricht, zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben. Dit standpunt baseert UWV op het rapport van de verzekeringsarts waaruit blijkt dat er sprake is van onvoldoende medische beeldvorming, hetgeen te wijten is aan het feit dat de bedrijfsarts – ondanks een herhaald verzoek – niet van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt de tekortkomingen te herstellen. Er is daarmee sprake van een zogenoemde administratieve loonsanctie. Appellante maakt hiertegen bezwaar, hetgeen door UWV ongegrond wordt verklaard. UWV besluit op 14 november 2012 de loonsanctieperiode te bekorten tot 23 november 2012; per die datum ontvangt werkneemster X tevens een loongerelateerde WGA-uitkering. Ook de rechtbank verklaart het beroep dat appellante vervolgens tegen de administratieve loonsanctie instelt ongegrond. Vervolgens stelt appellante hoger beroep in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is of UWV aan appellante op goede gronden een administratieve loonsanctie heeft opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat het re-integratieverslag niet volledig was. Deze vermelde onvolledigheid was een administratieve tekortkoming die appellante uiterlijk 9 augustus 2012 diende te herstellen. Nu UWV de gevraagde formulieren op 9 augustus 2012 van appellante heeft ontvangen, is geen andere conclusie te trekken dan dat alleen het opleggen van een inhoudelijke loonsanctie nog ter beoordeling staat. Zoals blijkt uit eerdere rechtspraak (zie ECLI:NL:CRvB:2015:202) is met de vaststelling dat de ontbrekende documenten zijn ontvangen en het re-integratieverslag compleet is geworden, het stadium waarin aan de werkgever een administratieve loonsanctie kan worden opgelegd gepasseerd. Dat betekent dat ook in het geval van appellante de loonbetalingsverplichting ten onrechte is verlengd op de grond dat onvoldoende stukken voor een voldoende beeldvorming zijn ingezonden. Of er gronden zouden zijn geweest voor het opleggen van een loonsanctie vanwege inhoudelijke tekortkomingen in de zin van onvoldoende re-integratie-inspanningen van appellante en of UWV bij zijn toetsing daarvan overeenkomstig zijn beleidsregels heeft gehandeld, staat in dit geding niet ter beoordeling. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Gelet op artikel 25 lid 10 Wet WIA kan nu geen loonsanctie wegens eventuele inhoudelijke tekortkomingen meer worden opgelegd. De Raad voorziet daarom zelf in de zaak en herroept het loonsanctiebesluit.