Rechtspraak
Werkneemster X is werkzaam als Sales Advisor bij appellante. Op 4 mei 2010 valt werkneemster X wegens enkelklachten uit voor haar werk, hetgeen ertoe leidt dat zij op 4 juli 2012 een WIA-uitkering aanvraagt. In het kader van de WIA-aanvraag van werkneemster X wordt aan appellante op 26 juli 2012 een loonsanctie voor de duur van 52 weken opgelegd (besluit I). Volgens UWV heeft appellante in het kader van de re-integratie van werkneemster X onvoldoende inspanningen verricht, zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben, omdat het tweede spoor niet is ingezet. Op 3 september 2010 verzoekt appellante UWV de loonsanctie te bekorten, maar UWV wijst dit verzoek af (besluit II). Appellante maakt bezwaar tegen zowel besluit I als besluit II, maar UWV verklaart beide bezwaren op grond van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongegrond. Vervolgens stelt appellante beroep in, maar ook dit wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Daarom stelt appellante hoger beroep in, waarbij zij aanvoert dat UWV in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door onduidelijkheid te laten bestaan over de advisering door de zogenoemde Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (hierna: BLLC). Verder voert zij aan dat de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter (hierna: de Beleidsregels) als kennelijk onredelijk moeten worden aangemerkt, omdat daarin onmogelijke eisen zijn gesteld aan de re-integratie van werknemers die in het kader van de WIA-beoordeling op arbeidskundige gronden 80 tot 100% arbeidsongeschikt worden geacht. Appellante is tevens van mening dat UWV uitgaat van een resultaatsverplichting, Â terwijl de wet een inspanningsverplichting aan de werkgever oplegt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In eerdere rechtspraak (zie ECLI:NL:CRVB:2015:1718) heeft de Raad de door UWV beschreven rol van de BLLC weergegeven in het geval de bezwaargronden aanleiding geven om een beslissing over een al dan niet opgelegde loonsanctie te herroepen. Dat volgens UWV advisering door de BLLC niet nodig is als op grond van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken wordt geconcludeerd tot handhaving van het primaire besluit, heeft in die zaak niet geleid tot het oordeel dat sprake was van strijdigheid met de Awb. De situatie van appellante, waarin in de bezwaarfase op grond van het onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is geconcludeerd tot handhaving van loonsanctiebesluit, geeft geen aanleiding over de rol van de BLLC nu anders te oordelen. Daarnaast is het vaste rechtspraak dat de Beleidsregels niet in strijd zijn met een juiste uitleg van de artikelen 65 en 25 lid 9 Wet WIA (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:926). In wat appellante in algemene zin tegen de Beleidsregels heeft aangevoerd is geen grond gelegen om tot een ander oordeel over de Beleidsregels te komen. Ook de stelling van appellante dat UWV bij de beoordeling uitgaat van een resultaatsverplichting, terwijl de wet een inspanningsverplichting oplegt, slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BX5807) gaat het om een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting, omdat een positief resultaat op voorhand niet hoeft vast te staan; het gaat erom dat een bevredigend resultaat bereikt wordt. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.