Rechtspraak
Appellante is een klein bouw-/renovatiebedrijf, met twee medewerkers en een meewerkend eigenaar/directeur. Werknemer is sinds 23 april 2001 bij appellante in dienst als timmerman. Op 6 december 2011 valt hij als gevolg van knieklachten uit voor zijn werk. Nadat UWV de aanvraag voor een uitkering met verkorte wachttijd op 4 april 2013 afwijst, en nog acht maanden resteren voordat het einde van de reguliere wachttijd is bereikt, vraagt appellante een deskundigenoordeel aan om te kunnen beoordelen wat van haar in het kader van de re-integratie van werknemer kan worden gevergd. Een arbeidsdeskundige concludeert dat appellante nog onvoldoende heeft gedaan om werknemer aan het werk te helpen en dat activiteiten gericht op het zogenoemde tweede spoor, re-integratie in passend werk bij een andere werkgever, ingezet moeten worden. Op verzoek van appellante brengt een re-integratiebedrijf, Dé Praktijkjob BV, na een intakegesprek met werknemer advies uit. Dit bedrijf adviseert appellante juist de weg naar een aanvraag van een WIA-uitkering in te zetten, omdat werknemer in de visie van het re-integratiebedrijf niet in staat is om enige vorm van arbeid te verrichten. Werknemer vraagt op 13 augustus 2013 een WIA-uitkering aan. De aanvraag leidt tot een verlenging van het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werknemer tijdens ziekte moet doorbetalen. Het verzoek van appellante de opgelegde loonsanctie te bekorten wijst UWV af. Het bezwaar en beroep tegen de opgelegde loonsanctie en de afwijzing van het verkortingsverzoek worden ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. Aan het bestreden besluit ligt volgens de rechtbank het standpunt van UWV ten grondslag dat er feitelijk geen re-integratie-activiteiten zijn geweest, terwijl voor UWV vaststaat dat werknemer wel tot arbeid in staat was. Het standpunt van appellante dat werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd in het licht van de rapporten van de verzekeringsartsen. Ten onrechte heeft appellante het ingewonnen deskundigenoordeel niet gevolgd. De intake bij Dé Praktijkjob en het MDO bij Roessingh Arbeid kunnen daaraan niet afdoen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat er in het geval van werknemer geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en dat appellante en werknemer geen op re-integratie gerichte activiteiten hebben verricht. Ter beantwoording is de vraag of appellante voor het achterwege laten van die activiteiten een deugdelijke grond had omdat zij er, zoals zij heeft gesteld, in redelijkheid van uit mocht gaan dat werknemer geen arbeidsmogelijkheden had. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat UWV terecht heeft geconcludeerd dat appellante tekort is geschoten en dat UWV terecht een loonsanctie heeft opgelegd en terecht heeft geweigerd die te verkorten. Kort gezegd legt de Raad het volgende aan het oordeel ten grondslag. Nu het deskundigenoordeel duidelijk was, had appellante dat oordeel als uitgangspunt moeten nemen bij haar opdracht aan het re-integratiebedrijf bij de oriëntatie op het tweede spoor. Nu dat niet is gebeurd en het ervoor moet worden gehouden dat dat bedrijf niet op de hoogte was van het deskundigenoordeel en de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige opvattingen die tot dat oordeel hadden geleid, had appellante niet in redelijkheid op basis van het advies in het Plan van Aanpak van dat bedrijf af kunnen zien van verdere re-integratie-activiteiten. Zoals ook ter zitting duidelijk is geworden, was appellante steeds van mening dat er meer aanleiding was om de visie van haar bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige van haar arbodienst te volgen, dan het deskundigenoordeel. Het had in de rede gelegen dat appellante na ontvangst van het deskundigenoordeel, dat haar mening niet onderschreef, de inhoud daarvan met haar bedrijfsarts had besproken. Als appellante, op basis van een gemotiveerde nadere beoordeling door haar bedrijfsarts, dan zou hebben gevonden dat het deskundigenoordeel niet gevolgd zou moeten worden, had appellante dat onderbouwd met UWV kunnen bespreken of had zij een nieuw deskundigenoordeel kunnen vragen. Dat is echter niet gebeurd, en onder die omstandigheden mochten de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van UWV, die de eindevaluatie van het Plan van Aanpak WIA hebben beoordeeld, het deskundigenoordeel tot uitgangspunt nemen en vaststellen dat appellante ten onrechte geen activiteiten heeft ontplooid.