Rechtspraak
Werkneemster is op 15 januari 2001 in dienst getreden bij appellante in de functie van souschef voor 32 uur per week. Na een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid als gevolg van de bij haar vastgestelde ziekte van Crohn, meldt werkneemster zich op 30 augustus 2010 opnieuw bij appellante ziek. Vervolgens vraagt zij medio juni 2012 aan UWV om haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Bij besluit van 26 juli 2012 legt UWV aan appellante een loonsanctie voor de duur van 52 weken op, omdat appellante niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, waardoor zij het loon van werkneemster moet doorbetalen tot 26 augustus 2013. Appellante wordt verweten dat zij de re-integratie in het zogenoemde spoor 2 niet tijdig of niet adequaat heeft opgepakt, omdat appellante heeft nagelaten het tweede spoor te starten na de eerstejaarsevaluatie, terwijl ten tijde van die evaluatie al volgens UWV geconcludeerd had kunnen worden dat werkneemster voor haar eigen werk niet langer geschikt was. Appellante maakt hiertegen bezwaar, hetgeen door UWV ongegrond wordt verklaard. Ook de rechtbank verklaart het beroep dat appellante vervolgens instelt ongegrond. Appellante wijst er in hoger beroep op dat de ziekte van Crohn een grillig verloop heeft en niet meebrengt dat werkneemster structureel niet geschikt is voor haar eigen werk van souschef. Omdat een verzekeringsarts in juli 2012 nog heeft gesteld dat de bedrijfsarts van appellante de functionele mogelijkheden van werkneemster goed heeft ingeschat, is volgens appellante niet te begrijpen dat de rechtbank UWV heeft gevolgd in het standpunt dat spoor 2 al ten tijde van de eerstejaarsevaluatie ingezet had moeten worden, aldus appellante.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De (eerste) te beantwoorden vraag is of appellante terecht ervan is uitgegaan dat, gelet op de in oktober 2011 bereikte urenomvang van 24 uur per week, meer en andere re-integratie-instrumenten na de eerstejaarsevaluatie niet behoefden te worden ingezet. Als immers op het opschudmoment een situatie is bereikt die tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode zou worden aangemerkt als een bevredigend resultaat, kan UWV niet in redelijkheid van de werkgever de inzet van meer of andere re-integratie-instrumenten verlangen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat niet eerder dan in maart 2012 met de door werkneemster gemelde rugklachten het beeld ontstond dat handhaving van een werkweek van 24 uur niet langer mogelijk was. Tot dat moment was er weliswaar twijfel of werkneemster in staat zou zijn om haar werkweek van 24 uur verder uit te breiden naar de oorspronkelijke 32 uur, maar was een belasting van werkneemster in het eigen werk gedurende 24 uur per week reëel. Voor de opvatting van UWV dat te verwachten was dat werkneemster 24 uur werken per week niet vol zou houden, is niet voldoende grond. Niet overtuigend is de verwijzing naar de hectiek in de functie van souschef ter onderbouwing van deze opvatting. Als de hectiek van de werkomstandigheden voor werkneemster een belemmerende factor zou zijn geweest, dan is niet goed te begrijpen dat zij na haar ziekmelding gedurende lange tijd eerst 20 uur per week en later 24 uur per week werkzaam is geweest in haar eigen functie. Aan UWV moet worden toegegeven dat ook de bedrijfsarts bij zijn beschrijving van de functionele beperkingen en arbeidsmogelijkheden van werkneemster heeft opgenomen dat werkneemster is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, maar uit zijn toelichting blijkt niet dat hij werkneemster – anders van voorheen – met die beperking ongeschikt achtte voor haar werk als souschef in dienst van appellante. Daarbij verdient opmerking dat werkneemster haar werk reeds langere tijd verrichtte en uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt dat zij ook tijdens een eerdere ziekteperiode van 2008 tot 2010 meestentijds 24 uur van de 32 heeft gewerkt. Uit het voorgaande volgt dat UWV op onvoldoende grond heeft gesteld dat appellante tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen omdat zij bij het opschudmoment niet overgegaan is tot activiteiten in spoor 2. Dat betekent dat vervolgens de vraag moet worden beantwoord of UWV appellante terecht traagheid bij de start van spoor 2 heeft verweten (het subsidiaire standpunt van het UWV). Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante, hoewel zij wellicht had kunnen bewerkstelligen dat de benodigde acties iets sneller op elkaar waren gevolgd, zodanig traag heeft gehandeld dat van tekortschieten in de re-integratieverplichtingen kan worden gesproken. Conclusie is dat aan appellante ten onrechte een loonsanctie is opgelegd. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd.