Rechtspraak
Ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Raad (zie SZR 2016-0075) neemt UWV op 18 maart 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit III). Bij bestreden besluit III handhaaft UWV het herzieningsbesluit, het terugvorderingsbesluit en de invorderingsbesluiten en verlaagt UWV de boete naar € 640. Nu de besluiten I en II niet worden gehandhaafd, slaagt het hoger beroep en wordt de aangevallen uitspraak vernietigd. De Raad vernietigt voornoemde besluiten. Bestreden besluit III wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 Awb, mede in de beoordeling betrokken.
Niet in geschil is dat appellante, die vanaf 1 augustus 2011 een WW-uitkering ontving, per 1 april 2013 in dienst is getreden van een stichting. Evenmin is in geschil dat als gevolg hiervan appellante vanaf 1 april 2013 geen recht meer had op een WW-uitkering en dat UWV de WW-uitkering van appellante gedurende de periode van 1 april 2013 tot en met 6 oktober 2013 ten onrechte heeft doorbetaald. Het geschil betreft de vraag of UWV de WW-uitkering mocht intrekken met terugwerkende kracht, of hij de onverschuldigd betaalde uitkering terecht heeft teruggevorderd, of hij appellante terecht een boete heeft opgelegd en zo ja, of een boete van € 640 passend en geboden is en of de invorderingsbesluiten in stand kunnen blijven. UWV stelt dat appellante eerst op 28 mei 2013 melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden. Appellante stelt daarentegen dat zij begin april 2013 een wijzigingsformulier per post heeft opgestuurd naar UWV, nadat het haar meerdere keren niet was gelukt om haar werkzaamheden digitaal door te geven. Zij meent dan ook aan haar inlichtingenplicht te hebben voldaan. Appellante verzoekt UWV te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden.
De Raad oordeelt als volgt. De bewijslast van het tijdig melden van de werkzaamheden berust op appellante. Daarvan uitgaande wordt overwogen dat het door appellante genoemde wijzigingsformulier niet bekend is bij UWV. Appellante heeft geen bewijs van verzending van dat formulier overgelegd, noch anderszins aannemelijk gemaakt dat zij dat formulier daadwerkelijk begin april 2013 heeft verzonden naar UWV. Verder is uit onderzoek naar voren gekomen dat in de door appellante genoemde periode geen sprake is geweest van storingen op werk.nl of uwv.nl. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat appellante haar werkzaamheden tijdig aan UWV heeft gemeld. Onder deze omstandigheden kon UWV de WW-uitkering van appellante intrekken met ingang van 1 april 2013. Hieraan voegt de Raad toe dat het appellante ook redelijkerwijs duidelijk was of had kunnen zijn dat zij in de genoemde periode ten onrechte een WW-uitkering ontving. Op grond van het voorgaande kan de terugvordering in stand blijven.
Tegen de invordering heeft appellante geen gegevens overgelegd die erop wijzen dat zij niet in staat is te voldoen aan de door UWV bepaalde wijze van invorderen. Er is dan ook geen reden om de invordering niet in stand te laten. Voorts was UWV verplicht appellante een boete op te leggen, nu zij de op haar rustende inlichtenverplichting niet is nagekomen. De boete van € 640 acht de Raad in dit geval passend en geboden.
De door appellante geclaimde verletkosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank komen voor vergoeding in aanmerking. De verzochte schadevergoeding voor de overige door appellante gestelde schadeposten wordt afgewezen.