Rechtspraak
UWV brengt appellant met ingang van 9 februari 2009 in aanmerking voor een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 40,75 per week. Appellant werkt als flexwerker in dienst van een uitzendbureau. UWV verleent appellant vanaf maart 2010 ontheffing van de sollicitatieplicht. Per 1 juli 2014 beëindigt UWV de ontheffing. UWV verklaart het in dat kader ingestelde bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep eveneens ongegrond. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat er in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de hem verleende ontheffing niet beëindigd mocht worden. Appellant werkt als bagagemedewerker op Schiphol gemiddeld 28 uur per week en dient flexibel te zijn, omdat hij pas kort van tevoren weet wanneer hij kan werken. Appellant meent dat de plicht tot solliciteren hem zal beperken in zijn flexibiliteit, wat nadelige gevolgen zal hebben voor zijn huidige baan. Het solliciteren zal voor hem ook niet effectief zijn, omdat het gelet op zijn leeftijd erg moeilijk zal zijn om aanvullend werk te vinden. Ten slotte is volgens appellant het vertrouwensbeginsel geschonden, omdat de ontheffing is beëindigd terwijl zijn omstandigheden niet zijn veranderd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten kent UWV de bevoegdheid toe om in individuele gevallen een tijdelijke ontheffing te verlenen en regelt in welke gevallen UWV van die bevoegdheid gebruik mag maken. Voor een individuele ontheffing kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan als er sprake is van een calamiteit, intensieve mantelzorg of vrijwilligerswerk. Appellant betwist niet dat hij niet behoort tot een van de categorieën van werknemers als bedoeld in bovengenoemde Regeling. Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake is van omstandigheden die zijn genoemd in het Besluit ontheffing verplichtingen sociale zekerheidswetten.
De door appellant genoemde omstandigheden met betrekking tot zijn leeftijd, de geringe kans op succes bij solliciteren en de voor zijn werkzaamheden vereiste beschikbaarheid, zijn niet zo uitzonderlijk, dat voor hem de uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voortvloeiende verplichting niet zou gelden. Ook van een werkloze werknemer die een gedeeltelijke WW-uitkering ontvangt, zoals appellant, mag worden verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten verricht om de gedeeltelijke werkloosheid ongedaan te maken (vergelijk de uitspraken van de Raad van 8 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6681 en van 24 augustus 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU3090).
Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Er is geen sprake geweest van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging, gedaan door het tot beslissen bevoegde orgaan, zoals volgens vaste rechtspraak vereist is voor een geslaagd beroep op dit beginsel (zie bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735). Aan de omstandigheid dat aan appellant een ontheffing was verleend van de sollicitatieverplichting mocht hij niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat zodanige ontheffing hem ook in de toekomst zou blijven worden verleend.
Volgt bevestiging van de aangevallen uitspraak.