Naar boven ↑

Rechtspraak

Appellant kon redelijkerwijs duidelijk zijn dat hem ten onrechte een WW-uitkering werd betaald naast een volledige WAO-uitkering, nu de WAO- en de WW-uitkeringen die appellant ontving samen een bedrag aan bruto-inkomsten opleverden dat hoger was dan hetgeen hij aan inkomsten genoot in de periode waarin hij een gedeeltelijke WAO-uitkering had naast zijn werkzaamheden.

Appellant ontvangt vanaf 29 mei 2006 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

55 tot 65%. Daarnaast is hij werkzaam bij Werkgever X. Naar aanleiding van een ziekmelding op 30 mei 2010 door appellant verhoogt UWV de WAO-uitkering vanaf 31 mei 2010 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling verlaagt UWV de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 maart 2012 naar 25 tot 35%. In verband met de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid vraagt appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) aan. Bij besluit van 11 april 2012 wijst UWV die aanvraag af. Appellant maakt bezwaar tegen dat besluit. UWV baseert in afwijking van de eerdere besluitvorming bij besluit van 12 juli 2012 de WAO-uitkering met ingang van 17 maart 2012 alsnog ongewijzigd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2012 verklaart UWV het bezwaar van appellant tegen de ontzegging van de WW-uitkering gegrond en brengt hem met ingang van 19 maart 2012 in aanmerking voor een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 40. UWV houdt daarbij geen rekening met de verhoging van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar gaat uit van de eerder vastgestelde mate van 25 tot 35%. In de beslissing van 13 juli 2012 wordt vermeld dat met de toegekende WW-uitkering de verlaagde WAO-uitkering wordt aangevuld. UWV komt in het voorjaar van 2014 op de hoogte dat appellant naast elkaar een WAO-uitkering, gebaseerd op een volledige arbeidsongeschiktheid, en een WW-uitkering ontvangt. Dit leidt tot een besluit van 15 mei 2014 waarbij de WW-uitkering is herzien en over de periode van 17 maart 2012 tot en met 16 februari 2014 een bedrag aan volgens UWV onverschuldigd betaalde WW-uitkering van € 27.897,78 van appellant is teruggevorderd. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. De rechtbank onderschrijft het standpunt van UWV dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij niet een volledige WAO-uitkering en daarnaast een gedeeltelijke WW-uitkering kon ontvangen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant heeft niet weersproken dat de WAO- en de WW-uitkeringen die hij ontving samen een bedrag aan bruto-inkomsten opleverden dat hoger was dan hetgeen hij aan inkomsten genoot in de periode waarin hij een gedeeltelijke WAO-uitkering had naast zijn werkzaamheden bij Werkgever X. Daaruit volgt dat het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd betaald. Bij de toekenning van WW-uitkering op 13 juli 2012 heeft UWV vermeld dat die uitkering werd verstrekt als aanvulling op de verlaagde WAO-uitkering. Die vermelding kon niet juist zijn, omdat in het besluit van de dag daarvoor aan appellant een verhoogde WAO-uitkering was toegekend. De vermelding van de code 07 op de WW-betaalspecificaties heeft in dit verband geen bijzondere betekenis omdat uit de hoogte van de WW-uitkering bleek dat géén rekening werd gehouden met het ontvangen van een volledige WAO-uitkering.

Uit de duur van de periode waarin deze situatie heeft bestaan volgt evenmin dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Voor deze gehele periode geldt immers dat zijn bruto-inkomsten hoger waren dan in de periode waarin hij zijn werkzaamheden in loondienst combineerde met het ontvangen van een WAO-uitkering. Dat de betalingen van de WAO- en WW-uitkering op verschillende momenten plaatsvonden, zodat er voor appellant geen overzicht was, speelt in dit verband evenmin een rol nu het immers aan de hand van hetgeen in totaal werd ontvangen duidelijk kon zijn dat dit bedrag te hoog was. Het hoger beroep slaagt niet.