Rechtspraak
Bij besluit van 15 mei 2003 kent UWV appellant een WW-uitkering toe voor de duur van 5 jaar, waarbij wordt vastgesteld dat appellant gedurende 26,15 uur per week werkzaam is als zelfstandige en dat dit geen gevolgen heeft voor zijn WW-uitkering. Bij besluit van 9 december 2005 herziet UWV de WW-uitkering van appellant met ingang van 14 april 2003, omdat hij niet alle gewerkte uren als zelfstandige aan UWV heeft doorgegeven. Appellant heeft alleen zijn declarabele uren doorgegeven en niet ook zijn indirecte uren. UWV vordert een bedrag van € 11.803,82 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug. Bij brief van 10 mei 2006 deelt UWV aan appellant mee dat aangifte is gedaan bij de officier van justitie (OvJ) en dat, als de OvJ besluit niet te vervolgen, UWV appellant een boete kan opleggen. Bij brief van 15 mei 2006 bericht appellant aan UWV dat hij geen WW-uitkering meer wil ontvangen. Appellant verklaart dat de hele affaire met het UWV, waarbij naast herziening en terugvordering van zijn WW-uitkering ook beslag is gelegd op zijn woning en door UWV aangifte is gedaan bij de OvJ, hem zo heeft aangegrepen dat hij met het oog op zijn gezondheid en welzijn zijn WW-aanspraken opgeeft, ook omdat voor hem nog steeds onduidelijk is aan welke verplichtingen hij zich precies moet houden. UWV beëindigt bij besluit van 19 mei 2006 de WW-uitkering van appellant. Nadat de OvJ besluit om niet tot vervolging over te gaan, legt UWV appellant een boete op van € 1.188, wegens schending van zijn inlichtingenplicht. Het door appellant gemaakte bezwaar verklaart UWV ongegrond. Naar aanleiding van een onderzoek van de Nationale ombudsman is het project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. In verband met deze herbeoordelingsoperatie verzoekt appellant UWV bij brief van 30 augustus 2010 om herbeoordeling van zijn zaak. Bij besluit van 19 januari 2011 handhaaft UWV zijn besluiten. Appellant maakt bezwaar tegen dit besluit. Bij besluit van 20 april 2012 verklaart UWV het bezwaar gegrond en herroept de besluiten. Bij brief van 6 juni 2012 verzoekt appellant UWV een schadebesluit te nemen. Volgens appellant kan uit het besluit van 20 april 2012 worden afgeleid dat de eerdere besluiten onrechtmatig zijn. De schade bestaat volgens appellant uit de gederfde bedragen aan WW-uitkering, het verlies van zijn aanspraak op premievrije voortzetting van zijn ouderdomspensioen en geleden immateriële schade. UWV wijst het verzoek om schadevergoeding af. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelt volgt. UWV heeft ter zitting de onrechtmatigheid van de besluiten erkend en daarmee staat vast dat deze onrechtmatigheid aan UWV moet worden toegerekend. Tussen partijen is alleen nog in geschil of er sprake is van een causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de door appellant gestelde schade. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingrecht. Aannemelijk is dat, als UWV de onrechtmatige besluiten niet had genomen, appellant zijn aanspraken op zijn WW-uitkering niet had prijsgegeven en de door hem gestelde schade niet zou zijn ontstaan. Daarmee is het causaal verband tussen de gestelde schade en de onrechtmatige besluiten, in de zin van een condicio sine qua non-verband, gegeven. Vervolgens is aan de orde of de gestelde schade het UWV als gevolg van de onrechtmatige besluiten kan worden toegerekend. UWV heeft erkend dat niet is gebleken dat hij appellant in de periode die voorafging aan de onrechtmatige besluiten adequaat heeft geïnformeerd over de opgave van indirecte uren. Hierdoor verkeerde appellant op 15 mei 2006 nog steeds in onzekerheid over de vraag hoe hij op een correcte wijze aan zijn inlichtingenplicht kon voldoen. Tegen deze achtergrond, en de ernstige sociale en psychische spanningen die een en ander met zich meebracht, kan appellant in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat hij op 15 mei 2006 zijn WW-aanspraken heeft prijsgegeven. De conclusie is dan ook dat de door appellant gestelde inkomens- en pensioenschade als gevolg van de onrechtmatige besluiten geheel aan UWV kan worden toegerekend. De schade bestaande uit gemiste WW-aanspraken ter hoogte van € 19.892,39 netto, komen voor toewijzing in aanmerking, evenals de gemiste aanspraken op premievrije voortzetting van zijn ouderdomspensioen van in totaal € 9.179. Ook de wettelijke rente over beide bedragen wordt toegewezen. De vordering tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.