Rechtspraak
Appellant vraagt op enig moment bij UWV een ZW-uitkering aan met 23 april 2013 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Op de vragenlijst ziekte en re-integratie vermeldt appellant dat uitzendbureau X zijn laatste werkgever is geweest. Appellant vermeldt 25 maart 2013 als datum van indiensttreding. UWV brengt appellant met ingang van 25 april 2013 in aanmerking voor een ZW-uitkering. Op enig moment laat UWV onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde ZW-uitkering. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 1 mei 2014. In dat rapport wordt geconcludeerd dat appellant in de periode van 25 maart 2013 tot 23 april 2013 geen werkzaamheden in loondienst heeft verricht voor uitzendbureau X en daarom niet verzekerd is geweest voor de werknemersverzekeringen. UWV trekt de ZW-uitkering van appellant in en vordert de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug. UWV verklaart het bezwaar van appellant tegen deze beslissing ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat hij vanaf 25 maart 2013 wel in loondienst is geweest bij uitzendbureau X en is uitgeleend aan een onderneming (hierna: de inlener).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV heeft aannemelijk gemaakt dat appellant in de hier van belang zijnde periode van 25 maart 2013 tot 23 april 2013 niet in dienst van uitzendbureau X werkzaamheden heeft verricht bij de inlener. Daartoe is onder meer redengevend dat uit de debiteurenadministratie over 2013 van uitzendbureau X blijkt dat appellant na 18 maart 2013 niet meer via uitzendbureau X werkzaam is geweest. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat het uitzendbureau een onvolledige administratie heeft overgelegd.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of appellant aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens voldoende tegenbewijs heeft geleverd. Daarin is appellant niet geslaagd. Uit de door appellant in bezwaar overgelegde uitzendovereenkomst met uitzendbureau X, de salarisspecificatie over de weken 13 tot en met 16 van 2013 en de kwitantie van de contante betaling van het salaris over die weken, volgt niet dat appellant in de periode voorafgaande aan de ziekmelding daadwerkelijk arbeid voor uitzendbureau X heeft verricht. Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld zijn de door appellant in bezwaar en beroep overgelegde verklaringen, volgens welke appellant in de hier van belang zijnde periode bij de inlener werkzaam was, te weinig concreet en substantieel om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat appellant daadwerkelijk voor de inlener arbeid heeft verricht. Vanwege vragen en onduidelijkheden met betrekking tot de door appellant overgelegde facturen kunnen deze facturen geen tegenbewijs vormen voor het standpunt van UWV.
Geconcludeerd wordt dat het onderzoek door UWV zorgvuldig en toereikend is geweest. UWV heeft aannemelijk gemaakt dat er tussen appellant en uitzendbureau X geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De ZW-uitkering is dan ook terecht ingetrokken. Tegen de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.