Naar boven ↑

Rechtspraak

Terugvordering WW-uitkering en oplegging boete wegens schending inlichtingenverplichtingen terecht.

Appellant komt met ingang van 1 april 2011 in aanmerking voor een WW-uitkering. De WW-uitkering wordt  per 1 juli 2013 beëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Bij brief van 14 mei 2014 deelt UWV appellant mede dat uit controle is gebleken dat hij gedurende een periode van ruim een jaar inkomsten uit dienstbetrekking heeft genoten en dat UWV voornemens is de te veel betaalde WW-uitkering (€ 41.209,46) terug te vorderen en om hem een boete op te leggen (tevens € 41.209,46). Appellant verklaart in reactie hierop dat hij UWV schriftelijk heeft geïnformeerd over de verandering in zijn arbeidssituatie. Bij besluit van 28 mei 2014 (besluit 1) trekt UWV de WW-uitkering van appellant met ingang van 30 april 2012 in en vordert over de periode van 30 april 2012 tot en met 30 juni 2013 een bedrag van € 41.206,46 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug. Bij besluit van 28 mei 2014 (besluit 2) legt UWV aan appellant een boete van € 41.209,46 op wegens schending van zijn inlichtingenverplichting. Het bezwaar en beroep tegen voornoemde besluiten zijn enkel gegrond verklaard voor zover dit de hoogte van de opgelegde boete betrof. Besluit 2 is in de bezwaarfase herroepen, waarop aan appellant een boete is opgelegd van € 7.800.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Indien een werknemer niet voldoet aan de in artikel 25 WW neergelegde inlichtingenverplichting, dan is UWV gehouden de WW-uitkering te herzien of in te trekken, indien als gevolg van het niet-nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend. Appellant stelt dat hij aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan door overhandiging van een wijzigingsformulier aan UWV. UWV heeft de ontvangst van dit formulier ontkend en appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit de afgifte van dit formulier blijkt. De verklaring van appellant dat de betalingen van de WW-uitkering hem niet waren opgevallen is niet geloofwaardig en komt voor zijn risico. Ook naar aanleiding van de hem per post toegezonden betaalspecificaties en jaaropgave van zijn WW-uitkering heeft appellant geen contact opgenomen met UWV. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is, mede gezien het voorgaande, voldoende aannemelijk dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen, zodat het oordeel van de rechtbank dat UWV gehouden was de onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 41.206,49 van appellant terug te vorderen, wordt onderschreven. Ten aanzien van de opgelegde boete overweegt de Raad dat in artikel 6 lid 2 EVRM een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging, in welk verband een onschuldpresumptie geldt. Een en ander brengt een zwaardere bewijslast met zich en brengt tevens met zich dat in geval van twijfel aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Naar het oordeel van de Raad heeft UWV niet alleen aannemelijk gemaakt, maar ook aangetoond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant kan voorts ter zake van de schending van de inlichtingenverplichting niet alleen objectief, maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Evenals de rechtbank acht de Raad de opgelegde boete van € 7.800, gelet op de ernst en duur van de overtreding en op de overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden, evenredig. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.