Naar boven ↑

Rechtspraak

Aan appellant kan niet in overwegende mate een verwijt worden gemaakt in de situatie dat hij externe partijen op de hoogte brengt van de slechte financiële situatie van werkgever, met de bedoeling zowel het kantoor te redden als zijn eigen werkgelegenheid veilig te stellen.

Appellant was sinds 28 januari 2002 in dienst van werkgever. Op 17 oktober 2013 doet werkgever appellant een voorstel om diens aanstelling terug te brengen van 37,5 naar 18 uur per week, in verband met teruglopende inkomsten. Appellant accepteert dit voorstel niet en meldt zich op 21 oktober 2013 ziek. Appellant komt te weten dat de financiële situatie van werkgever zeer slecht is en dat [X.2], een bank, werkgever een ultimatum heeft gesteld. Appellant neemt op eigen initiatief contact op met een zakenman om te bespreken of de zakenman een vliegtuig en een aantal oldtimers van de werkgever wil kopen en appellant vertelt daarbij dat de verkoop is ingegeven door de slechte financiële situatie van werkgever. Op 11 december 2013 stuurt de zakenman een e-mail aan werkgever met daarin een aantal snerende passages en een verwijzing naar de slechte financiële situatie, waarbij hij [X.2], [X.3], [X.4], [X.5] en een advocatenkantoor in Amsterdam in de CC zet. Werkgever ontslaat appellant bij brief van 13 december 2013 op staande voet. Appellant voert geen rechtsmiddelen aan tegen het ontslag. Op 17 januari 2014 vraagt appellant bij UWV een WW-uitkering aan. UWV weigert de uitkering blijvend en geheel bij besluit van 20 maart 2014, aangezien appellant had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag is. Het bezwaar en beroep van appellant tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de werkgever appellant had verzocht kopers te zoeken voor zijn auto's en het vliegtuig, dat appellant zich grote zorgen maakte over de financiële situatie van het kantoor en daarmee ook over zijn eigen toekomst en dat appellant destijds overspannen was en met burn-outklachten thuis zat waardoor hij niet goed in staat was een goede afweging te maken over wat hij wel of niet zou kunnen vertellen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Partijen verschillen niet meer van mening dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, zodat de vraag resteert of de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Appellant had een bijzondere relatie met zijn werkgever die verder ging dan alleen een arbeidsrechtelijke. Uit de beschrijving van de gang van zaken in december 2013 blijkt dat appellant, ondanks het feit dat hij ziek was en die ziekte (mede) werd veroorzaak door de werksituatie, betrokken bleef bij het wel en wee van werkgever. De negatieve ontwikkelingen zouden waarschijnlijk voor appellant het volledige verlies van zijn baan betekenen. Gelet op al deze omstandigheden, en op het feit dat appellant onder de druk van de omstandigheden heeft gehandeld vanuit de bedoeling om zowel het kantoor te redden als om zijn eigen werkgelegenheid veilig te stellen, kan in dit geval de werkloosheid appellant niet in overwegende mate worden verweten. Het hoger beroep slaagt.