Naar boven ↑

Rechtspraak

Op basis van een praktische schatting moet de mate van arbeidsongeschiktheid op een hoger percentage worden vastgesteld. Onvoldoende is komen vast te staan dat de inkomsten van een gezonde administratief medewerker met een werkweek van twintig uur representatief zijn voor de resterende verdiencapaciteit.

Werknemer, die in dienst van appellante gedurende 40 uur per week als coördinator servicedesk werkzaam was, staakt zijn werkzaamheden op 6 februari 2012 als gevolg van cardiale en neurologische gezondheidsklachten. Werknemer gaat vervolgens zijn werkzaamheden in aangepaste vorm en omvang verrichten. Na ommekomst van de wachttijd van 104 weken (13 februari 2014) heeft appellante nog geen beloning voor de aangepaste werkzaamheden van werknemer vastgesteld. Het betaalde salaris bedraagt blijkens de betreffende salarisspecificatie per 1 april 2014 en de daarop volgende maanden € 322,50 per maand. Bij besluit van 7 februari 2014 kent UWV aan werknemer met ingang van 13 februari 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37,45%. In dat besluit is vermeld dat de uitkering als voorschot wordt betaald, omdat UWV nog niet beschikt over een opgave van het SV-loon van werknemer en de inkomsten worden geschat op € 2.890,58 per maand. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, G.H. de Haan, kent na overleg met appellante aan de aangepaste werkzaamheden bij een volledige werkweek een loonwaarde van € 2.150 in plaats van € 2.890,58 per maand toe. Uitgaande van een maatmaninkomen van € 3.600 per maand, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 augustus 2014 op grond van een uurloonvergelijking de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer op omstreeks 68% geschat. De rechtbank neemt aan, gelet op de medische en arbeidskundige gegevens, dat werknemer op de datum in geding feitelijk gedurende twintig uur per week een evenredig deel van het loon van € 2.150 per maand van een administratief medewerker verdiende en dat deze inkomsten een reële afspiegeling van zijn resterende verdiencapaciteit vormden. Appellante houdt in hoger beroep staande dat de werkzaamheden die werknemer op 13 februari 2014 feitelijk verrichtte, naar hun omvang niet passend waren en dat de inkomsten van een gezonde administratief medewerker met een werkweek van twintig uur niet representatief voor zijn resterende verdiencapaciteit zijn.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. In dit geval berust de schatting onder toepassing van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Schattingsbesluit op de werkzaamheden die werknemer in het bedrijf van appellante op 13 februari 2014 feitelijk verrichtte en het daarmee feitelijk verdiende loon. Daarbij is van belang de vraag of de betreffende werkzaamheden passend kunnen worden geacht voor werknemer en, daarmee samenhangend, of de genoten verdiensten als representatief voor zijn resterende verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt. Verwezen wordt naar de door de Raad ter zake ontwikkelde rechtspraak, zoals onder meer neergelegd in de uitspraak van 18 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8481. In de eerste plaats is niet gebleken dat appellante het loon van werknemer op de in de geding zijnde datum 13 februari 2014 had vastgesteld op een maandloon van € 1.075 op basis van een werkweek van twintig uur. Het arbeidskundig rapport van 28 augustus 2014 vermeldt slechts dat de werkgever desgevraagd het niveau van de werkzaamheden op € 2.150 per maand inschatte en dat het precieze bedrag uit de door appellante aan te passen loonstrook per het beoordelingsmoment nog zou moeten blijken. Daarnaast had werknemer reeds op 17 april 2014 aan UWV doorgegeven dat zijn salaris niet € 645, maar € 322,50 per maand bedroeg, omdat slechts een belastbaarheid van 50% moest worden verloond. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat een maandloon van € 1.075 een reële afspiegeling van de resterende verdiencapaciteit van werknemer vormde. Dit bedrag is het inkomen dat een vergelijkbare gezonde administratieve medewerker in een werkweek van twintig uur verdient. Gegeven de medische beperkingen van werknemer heeft arbeidsdeskundige Van de Kamer met een beroep op de aard van deze werkzaamheden inzichtelijk onderbouwd dat voor werknemer een aanzienlijk tempoverlies optrad. Die bevindingen van arbeidsdeskundige Van de Kamer worden in hoofdzaak bevestigd door de loonwaardemeting van de arbeidsdeskundige Laenen. Tegenover het aldus gestaafde standpunt van appellante heeft UWV geen onderbouwde exacte gegevens ingebracht over het loon en de loonwaarde van de werkzaamheden die werknemer op de datum in geding verrichtte. Eveneens ontbreekt een arbeidskundige analyse van de wijze waarop werknemer in de praktijk zijn werkzaamheden met inachtneming van zijn beperkingen verrichtte. De arbeidsdeskundigen van UWV zijn uitgegaan van informatie die appellante aanvankelijk op grond van haar eerste ervaringen had verstrekt, maar waarvan zij later is teruggekomen. Hetgeen van de kant van de arbeidsdeskundige van UWV aan suggesties voor aanpassing van de werksituatie naar voren is gebracht, draagt een speculatief karakter en is niet geënt op de feitelijke werksituatie. Die suggesties gaan daarom voorbij aan de uit artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit gestelde voorwaarde dat wordt uitgegaan van de arbeid die feitelijk wordt verricht.

Op basis van een praktische schatting moet worden vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer op een hoger percentage dan 79,98 en in ieder geval boven de 80 ligt. Daarbij is een percentage van 85%, zoals valt af te leiden uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen Van de Kamer en Laenen, een schatting die de realiteit zo goed mogelijk benadert. Nu UWV heeft erkend dat de beperkingen van werknemer duurzaam van aard zijn, betekent dit dat werknemer aanspraak heeft op een IVA-uitkering. Het hoger beroep slaagt.