Rechtspraak
Appellante is voor gemiddeld 27,97 uur per week als uitzendkracht werkzaam bij werkgever. Zij meldt zich met ingang van 8 januari 2007 ziek. Een verzekeringsarts van UWV legt de voor appellante in aanmerking te nemen beperkingen neer in de FML van 22 december 2008. Bij besluit van 26 februari 2009 stelt UWV vast dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering, aangezien arbeidsdeskundig onderzoek op basis van de FML had uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% bedroeg. Tegen dit besluit maakt appellante geen bezwaar. Op 24 mei 2012 meldt appellante zich vanuit de WW ziek en zij doet een nieuwe WIA-aanvraag. De verzekeringsarts overweegt dat appellante onveranderd belastbaar is conform de laatst opgestelde FML van 22 december 2008. Met ingang van 24 september 2014 krijgt appellante geen WGA-uitkering meer, aangezien zij vanaf dat moment slechts 32,15% arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar acht een verzekeringsarts appellante voor niet meer dan circa 30 uur per week belastbaar. UWV verklaart het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van appellante ongegrond. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de omvang van enkele van de voor appellante geselecteerde functies de voor haar vastgestelde urenbeperking van 30 uur per week overschrijdt, gaat de rechtbank in op de vraag wat met de zinsnede in de FML ‘gemiddeld ongeveer 30 uur per week’ wordt bedoeld. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 10 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG8205) waarin de Raad overweegt dat UWV een zekere marge in aanmerking heeft genomen en er bewust van heeft afgezien een precies aantal werkuren per week als maximum aan te gegeven. In die uitspraak oordeelt de raad dat deze handelwijze aanvaardbaar moet worden geacht en niet in strijd komt met zijn rechtspraak. De rechtbank volgt deze overweging en dit betekent dat de stelling van appellante dat moet worden uitgegaan van maximale belasting van 30 uur niet wordt aanvaard. De rechtbank stelt vast dat de door appellante genoemde functies geen van alle een hogere arbeidsbelasting dan 32 uur hebben en dus binnen de bandbreedte van de gestelde urenbeperking vallen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De rechtbank heeft het standpunt van appellante dat zij als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd terecht niet gevolgd. Uit de beschikbare medische gegevens is afgeleid dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gevonden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek en de juistheid van de FML. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat UWV ten onrechte tevens een aantal functies met een urenomvang van 32 uur aan de schatting ten grondslag legt wordt verwezen naar het hierboven beschreven oordeel van de rechtbank dat geheel wordt onderschreven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.