Naar boven ↑

Rechtspraak

Naar aanleiding van het Korošec-arrest van het EHRM preciseert de Raad de uitgangspunten bij de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid door verzekeringsartsen.

Appellant is laatstelijk werkzaam als allround medewerker in de bouw voor 40 uur per week. Vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, meldt hij zich met ingang van 11 juli 2011 ziek. In eerste instantie weigert UWV appellant voor een uitkering op grond van de Ziektewet in aanmerking te brengen omdat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. In de beroepsprocedure heeft appellant een rapport van een op zijn verzoek door orthopedisch chirurg C.W. Jolles verrichte expertise ingebracht. Nadat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze expertise aanvankelijk geen aanleiding had gezien tot herziening van zijn standpunt, ziet UWV in een vervolgens door de rechtbank gewezen tussenuitspraak aanleiding het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2011 alsnog gegrond te verklaren en dit besluit te herroepen.

Appellant vraagt op 13 augustus 2013 een uitkering aan op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 14 november 2013 stelt UWV vast dat voor appellant met ingang van 8 juli 2013 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering omdat het verlies van verdiencapaciteit minder dan 35% zou zijn. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt appellant voorop dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. Ter zitting betoogt appellant met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec) dat de rechtbank het beginsel van de equality of arms heeft miskend door niet over te gaan tot benoeming van een deskundige of in elk geval de deskundige Jolles, die eerder in de Ziektewetzaak had gerapporteerd, te raadplegen. Appellant betoogt daartoe – zakelijk weergegeven – dat er in de beoordelingssystematiek van UWV altijd een zekere mate van ongelijkheid bestaat en dat het idee lijkt te overheersen dat de verzekeringsarts overal verstand van heeft.

De Raad oordeelt als volgt. In zaken waarin UWV een beoordeling verricht als bedoeld in artikel 2 van het Sb vindt het verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats door verzekeringsartsen. Deze verzekeringsartsen zijn in dienst van UWV, dan wel hebben anderszins een overeenkomst met UWV. De naar aanleiding van deze onderzoeken opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapporten en de daarin neergelegde verzekeringsgeneeskundige oordelen vormen mede de basis voor de besluitvorming door UWV. Gelet op de arresten Korošec en Spycher (arrest van 17 november 2015, (ECLI:CE:ECHR:2015:1117DEC002627512, zaaknummer 26275/12) moeten de rapporten van verzekeringsartsen van UWV worden aangemerkt als rapporten van een medisch deskundige waarin een deskundigenoordeel is neergelegd.

Als gevolg van het gegeven dat een verzekeringsarts in dienstbetrekking tot UWV staat, dan wel anderszins een overeenkomst heeft met UWV als procespartij, kan twijfel rijzen aan de onpartijdigheid van deze verzekeringsarts. Dit kan zich ook voordoen bij andere deskundigen die in opdracht van het UWV onderzoek verrichten. Dit betekent dat een betrokkene in zoverre in beginsel niet in een gelijke positie ten opzichte van UWV verkeert. In de arresten Korošec en Spycher en de arresten van 3 mei 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0503JUD000718311, zaaknummer 7183/11, Letincic) en 23 mei 2017 (ECLI:CE:ECHR:2017:0523JUD005693513, zaaknummer 56935/13, Zovko) heeft het EHRM benadrukt dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onder andere omvat dat elke partij een redelijke kans of gelegenheid krijgt om haar zaak te bepleiten zonder dat er sprake is van een substantieel ongelijke positie ten opzichte van de wederpartij.

Uit de genoemde arresten van het EHRM vloeit onder meer voort dat de twijfel aan de onpartijdigheid van de medisch deskundige niet leidt tot een schending van artikel 6 EVRM als deze twijfel niet objectief kan worden gestaafd. In dat kader is van belang dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij (zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674). Daarvan uitgaande is er aanleiding om de uitgangspunten bij de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen nader te preciseren. Met inachtneming van de door artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getrokken grenzen, wordt die toetsing bepaald door de gronden die een betrokkene aanvoert tegen de medische onderbouwing van de besluitvorming en het bewijs dat een betrokkene in dat verband aanvoert.

Stap 1: De zorgvuldigheid van de besluitvorming. De vereisten waaraan de besluitvorming van UWV moet voldoen vloeien voort uit de Awb en het Sb. Rapporten van verzekeringsartsen moeten blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en moeten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn. In het geval dat een rapport van een verzekeringsarts niet voldoet aan de vereisten van artikel 4 van het Sb zal het bestreden besluit alleen al om die reden bij de bestuursrechter geen stand kunnen houden.

Stap 2: Equality of arms. Gelet op de genoemde arresten is de kern van het beginsel van de equality of arms erin gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van UWV bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen UWV en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld. De betrokkene kan in dit geval bijvoorbeeld alsnog de gelegenheid krijgen om (medische) gegevens in te brengen of in de gelegenheid gesteld worden om zelf een deskundige in te schakelen. Daarbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat deze verduidelijkt wat nodig is. Als de betrokkene (medische) stukken in het geding brengt, moet de bestuursrechter beoordelen of deze stukken een redelijke mogelijkheid vormen voor betrokkene om de bestuursrechter van zijn standpunt te overtuigen (zie Letincic, r.o. 49 en Spycher, r.o. 28). Als het de betrokkene in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen geen nadere medische stukken ter onderbouwing van zijn (hoger) beroep te hebben ingediend of de bestuursrechter de door betrokkene ingediende stukken naar hun aard niet geschikt acht om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld omdat een behandelend arts genoodzaakt is de informatie beperkt te verstrekken, ligt het op de weg van de bestuursrechter betrokkene voor deze bewijsnood zo nodig compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van benoeming van een onafhankelijke (medisch) deskundige.

Als een betrokkene een rapport in de procedure inbrengt dat is opgesteld door een door hem ingeschakelde medisch deskundige, is in het algemeen voldaan aan het vereiste van gelijke procespositie. Onder omstandigheden kan aan die eisen worden voldaan door een rapport of een verklaring van een behandelaar. Als de bestuursrechter niet ingaat op een verzoek om een deskundige te benoemen, teneinde voor de betrokkene compensatie te bieden voor de gestelde bewijsnood, zal die afwijzing door de bestuursrechter gemotiveerd moeten worden. Daarbij is in dit kader niet zozeer beslissend de vraag of de bestuursrechter in de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van de rapporten van de verzekeringsartsen aanleiding moet zien een medisch deskundige te raadplegen, maar of betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad om in voldoende mate weerwoord te bieden aan wat de verzekeringsartsen hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit.

Stap 3: Inhoudelijke beoordeling. Een betrokkene kan door zijn gemotiveerde betwisting van wat is geconcludeerd over zijn mogelijkheden en beperkingen voor het verrichten van arbeid twijfel doen ontstaan over de juistheid van de beoordeling door UWV. Als twijfel aan de juistheid van de beoordeling – na een eventuele reactie van UWV – niet bij de bestuursrechter wordt weggenomen kan ook daarin reden bestaan dat de bestuursrechter een (medisch) deskundige benoemt. Bij afwijzing van het verzoek om een deskundige in te schakelen moet de bestuursrechter motiveren waarom hij zich op basis van de door partijen ingebrachte medische informatie voldoende in staat acht het tussen hen bestaande geschil te beslechten.

Tussen partijen is alleen nog in geding of UWV de belastbaarheid van appellant op de datum in geding juist heeft vastgesteld en of de in het arbeidskundig onderzoek voor appellant geselecteerde functies uit medisch opzicht geschikt voor hem zijn. Ten eerste is het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest juist. Ten tweede is er geen reden om aan te nemen dat de rechtbank appellant onvoldoende ruimte heeft gelaten om in de beroepsfase (nadere) medische stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat het UWV zijn beperkingen heeft onderschat. In hoger beroep heeft appellant evenmin nadere medische stukken ingediend en heeft hij ermee volstaan te verwijzen naar het door hem in de in 1.1 vermelde ZW-procedure ingebrachte deskundigenrapport van orthopedisch chirurg Jolles. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat dit rapport, afkomstig van een van UWV onafhankelijke deskundige, een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het vaststellen van de voor appellant in aanmerking te nemen beperkingen. Van een schending van equality of arms is dan ook geen sprake, zodat er geen aanleiding is tot benoeming van een deskundige. Tot slot heeft de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel kunnen gekomen dat UWV de voor appellant met ingang 8 juli 2013 in aanmerking te nemen beperkingen juist heeft vastgesteld. Het hoger beroep slaagt niet en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.