Rechtspraak
Appellante komt bij besluit van 5 augustus 2013 in aanmerking voor een WW-uitkering. Appellante is sinds 20 februari 2013 als zelfstandig ondernemer ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met een webshop. UWV komt hiervan in maart 2014 op de hoogte en stelt vervolgens een handhavingsonderzoek in. Bij besluit van 22 augustus 2014 stelt UWV naar aanleiding van dit onderzoek vast dat appellante ten onrechte in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, omdat zij fulltime als zelfstandige werkzaam is geweest. UWV herziet de WW-uitkering van appellante (c.q.: trekt deze in) en vordert een bedrag van € 20.330,02 als onverschuldigd betaalde uitkering van appellante terug. Het bezwaar en beroep van appellante zijn ongegrond verklaard.
In hoger beroep moet worden beoordeeld of appellante per 1 augustus 2013 haar hoedanigheid als werknemer als bedoeld in artikel 8 lid 1 WW heeft verloren. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen dat appellante kan worden gehouden aan haar verklaring tegenover de inspecteur, inhoudende dat zij vanaf 1 augustus 2013 volledig als zelfstandige is gestart. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad gaat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van WW-uitkering om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Gelet hierop is het aan UWV om feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk wordt dat appellante in een zodanige omvang als zelfstandige heeft gewerkt dat geen recht bestond op een WW-uitkering. Als UWV dat aannemelijk heeft gemaakt, is het aan appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs aannemelijk te maken. Het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellante op 25 juni 2014 heeft verklaard dat zij sinds 1 augustus 2013 volledig als zelfstandige heeft gewerkt, wordt onderschreven. Ook het oordeel van de rechtbank dat appellante aan deze door haar ondertekende verklaring gehouden kan worden, wordt onderschreven. De Raad gaat in het algemeen uit van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring, zodat weinig betekenis wordt toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering op dat uitgangspunt moet worden gemaakt. Appellante heeft de aanwezigheid van dergelijke bijzondere omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. De Centrale Raad van Beroep komt tot het oordeel dat appellante per 1 augustus 2014 (aangenomen wordt dat hier bedoeld werd: ‘1 augustus 2013’) niet langer de hoedanigheid van werknemer heeft behouden als bedoeld in artikel 8 lid 1 WW. UWV heeft terecht vastgesteld dat appellantes recht op WW-uitkering op 1 augustus 2014 is geëindigd op grond van artikel 20 lid 1 aanhef en onder a WW en artikel 20 lid 2 WW (oud). Op grond van artikel 22a lid 1 aanhef en onder a WW en artikel 36 lid 1 WW was UWV voorts gehouden de WW-uitkering van appellante in te trekken en de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde uitkering van appellante terug te vorderen. Appellante heeft geen dringende reden aangevoerd op grond waarvan UWV had moeten afzien van de terugvordering.