Naar boven ↑

Rechtspraak

Verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende onderbouwd dat geen sprake was van diagnostische criteria voor PTSS. Arbeidsongeschiktheid is een direct gevolg van de zwangerschap.

Appellante werkt als medewerkster thuiszorg voor gemiddeld 2,5 dagen per week (met daarnaast soortgelijk werk bij een andere werkgever gemiddeld twee dagen per week). Zij meldt zich met ingang van 11 februari 2015 ziek wegens een miskraam, nadat zij acht weken zwanger was. Bij besluit van 23 februari 2015 wordt appellante met ingang van 11 februari 2015 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op basis van 100% van haar dagloon. Zij bezoekt op 2 juni 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts concludeert dat appellante na 16 maart 2015 niet langer arbeidsongeschikt is ten gevolge van haar geëindigde zwangerschap. Bij besluit van 2 juni 2015 stelt UWV vast dat appellante vanaf 16 maart 2015 geen recht heeft op een zwangerschapgerelateerde uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) omdat haar arbeidsongeschiktheid gezien de medische bevindingen niet langer een rechtstreeks gevolg was van de zwangerschap. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. Appellante herhaalt in hoger beroep dat de oorzaak van haar psychische klachten ook per 16 maart 2015 is gelegen in haar (geëindigde) zwangerschap. Appellante wijst op de door de GGZ-praktijkondersteuner drs. F.J.P. Dik op 11 juni 2015 gestelde angststoornis en PTSS.

De Raad oordeelt als volgt. Gelet op de in hoger beroep door partijen ingenomen standpunten staat in dit geding de vraag centraal of de arbeidsongeschiktheid van appellante in verband met psychische klachten ook op en na 2 juni 2015 haar oorzaak vindt in de geëindigde zwangerschap. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de arbeidsongeschiktheid een direct gevolg moet zijn van de zwangerschap en/of bevalling wil aanspraak kunnen worden gemaakt op een uitkering ingevolge artikel 29a van de ZW (zie onder meer de uitspraken van 23 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9302 en van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8634).

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 juli 2015 over de door Dik gestelde angststoornis en PTSS vermeld dat hij een relatie tussen de veronderstelde angststoornis en de veronderstelde PTSS en de zwangerschap medisch niet aannemelijk en niet plausibel acht en hij acht de gestelde relatie door Dik niet onderbouwd. In zijn nadere rapport van 26 mei 2016 heeft deze arts uit de Richtlijn voor verzekeringsartsen van UWV van 1 mei 2014 ‘Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid’ geconcludeerd dat, indien de behandeling van de spontane abortus en curettage zonder complicaties is afgerond en er nog reactieve klachten resteren, deze niet meer als in causaal verband staand met de zwangerschap beoordeeld moeten worden. De psychische klachten moeten volgens hem gezien worden als een reactie op het gevoel tekortgeschoten te zijn en een stressbeleving na de curettage. Dat appellante in december 2015, toen zij weer vanaf medio 2015 zwanger was, naar een psychiater is verwezen, leidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin tot wijziging van het ingenomen standpunt. Vastgesteld wordt dat geen gegevens bekend zijn geworden dat appellante door andere oorzaken dan de doorgemaakte miskraam arbeidsongeschikt is geworden. Evenmin blijkt dat zij bekend is met eerdere psychische problematiek. Dik heeft vermeld dat hij heeft vastgesteld dat sprake is van een angststoornis, PTSS, bij een jonge vrouw met blanco psychiatrische voorgeschiedenis. In het licht van deze gegevens wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellante zelf niet heeft opgeroepen voor een spreekuur en zelf geen nadere informatie heeft ingewonnen, onvoldoende heeft onderbouwd dat geen sprake was van diagnostische criteria voor PTSS, zoals in het rapport van 8 juli 2015 gesteld. Het hoger beroep slaagt. De Raad voorziet zelf in de zaak door het besluit van 2 juni 2015 te herroepen. Gelet op het besluit van 23 februari 2015 heeft dit tot gevolg dat appellante ook per 2 juni 2015 recht heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW.