Rechtspraak
Bij besluit van 5 november 2015 deelt appellant betrokkene mee dat de WW-uitkering vanaf 16 februari 2015 is herzien. Daarin is tevens voorzien in een besluit tot terugvordering van die uitkering. Bij besluit van 2 februari legt UWV aan betrokkene een boete op. Bij digitaal klachtenformulier dient betrokkene op 3 februari 2016 een klacht, dan wel bezwaar in. UWV vraagt betrokkene vervolgens om verduidelijking naar de bedoeling van het klachtenformulier, waarop betrokkene aangeeft bezwaar te willen maken tegen de hiervoor genoemde besluiten. Bij brief van 3 maart 2016 deelt UWV aan betrokkene mee dat het bezwaarschrift nog niet in behandeling wordt genomen, omdat het niet is ondertekend. Aan betrokkene is vervolgens een termijn gegeven om daarvoor zorg te dragen, waarbij UWV aan betrokkene tevens meedeelt dat bij het uitblijven van een tijdige reactie het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Bij besluit van 7 april 2016 verklaart UWV het bezwaar niet-ontvankelijk. In beroep voert betrokkene aan dat indien online bezwaar wordt gemaakt dit met DigiD gebeurt, waardoor de identiteit op die wijze gecontroleerd kan worden. Verder voert betrokkene aan dat zij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en zij de stukken noch op een adres, noch per e-mail kon ontvangen. Zodoende heeft betrokkene niet altijd op tijd kunnen reageren. Bij de aangevallen uitspraak verklaart de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond, vernietigt het bestreden besluit en geeft appellant opdracht binnen een gestelde termijn opnieuw op bezwaar te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het niet herstellen van het verzuim verschoonbaar is. Betrokkene had appellant uit moeten nodigen op kantoor om alsnog de handtekening te plaatsen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Vaststaat dat betrokkene haar bezwaarschrift niet heeft ondertekend als voorgeschreven. Voorts staat vast dat betrokkene dit verzuim niet binnen de door appellant daartoe gestelde termijn van vier weken heeft hersteld en dat binnen die termijn evenmin om uitstel van herstel van dit verzuim is verzocht. Beoordeeld moet worden of appellant in redelijkheid van zijn bevoegdheid om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren gebruik heeft kunnen maken, welke vraag bevestigend wordt beantwoord. Allereerst wordt overwogen dat niet gebleken is dat betrokkene niet in staat is geweest het verzuim te herstellen door het bezwaarschrift te ondertekenen. Voorts wordt overwogen dat de communicatie met betrokkene moeizaam was. Betrokkene had zelf te kennen gegeven niet meer op het door haar gebruikte adres woonachtig te zijn, om welke reden zij appellant in haar e-mail van 2 maart 2016 had verzocht om de correspondentie via haar e-mailadres te laten verlopen. Dat heeft appellant gedaan. Dat raadpleging van de e-mail vanaf 3 maart 2016 niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat betrokkene, als gesteld in het beroepschrift, niet altijd over internet beschikte, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Verder wordt overwogen dat appellant betrokkene voldoende tijd heeft gegeven om het vastgestelde verzuim te herstellen. Een termijn van vier weken wordt voldoende geacht om de e-mail te bekijken en richting appellant actie te ondernemen. Tevens wordt geoordeeld dat ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is ingesteld. Uit rechtspraak van de Raad volgt dat een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege blijft, indien de identiteit van de indiener van het bezwaar op andere wijze kan worden vastgesteld of aan diens identiteit niet hoeft te worden getwijfeld. Appellant heeft in dat verband terecht aangevoerd dat – anders dan betrokkene heeft gesteld – haar identiteit niet via DigiD is komen vast te staan, omdat betrokkene niet via het digitale bezwaarformulier bezwaar heeft gemaakt maar via een klachtformulier, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van DigiD. De identiteit van betrokkene was daardoor niet via die weg komen vast te staan. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep tegen het besluit van 7 april 2016 ongegrond.