Rechtspraak
Per 1 oktober 2008 heeft appellant met zijn op 18 augustus 1999 geboren zoon een schriftelijke zorgovereenkomst gesloten, waarbij de zoon als budgethouder de opdrachtgever is en appellant als zorgverlener de opdrachtnemer is. Appellant werd voor zijn werkzaamheden betaald vanuit het aan zijn zoon toegekende persoonsgebonden budget (pgb). Per 1 april 2010 is de zorgovereenkomst beƫindigd. Appellant vraagt een ZW-uitkering aan. Bij besluit van 16 januari 2015 ontzegt UWV appellant per 1 april 2010 een ZW-uitkering, omdat hij per die datum niet verzekerd was voor de ZW. Volgens UWV is appellant niet werkzaam geweest in een dienstbetrekking, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn zoon. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat UWV ter beantwoording van de vraag of appellant op basis van de zorgovereenkomst tussen hem en zijn zoon in privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, terecht heeft onderzocht of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en zijn zoon. Appellant heeft het standpunt van UWV dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn minderjarige zoon, niet bestreden. Appellant heeft enkel aangevoerd dat sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), omdat het CIZ toezicht hield op de kwaliteit van zijn werkzaamheden. Dit standpunt heeft de rechtbank niet gevolgd, onder meer wegens het feit dat het CIZ geen partij is geweest bij de gesloten zorgovereenkomst. UWV heeft terecht vastgesteld dat appellant de werkzaamheden voor zijn zoon niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht. Dit betekent dat appellant niet verzekerd was op grond van de ZW en UWV de aanvraag van appellant om een ZW-uitkering terecht heeft afgewezen, aldus de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat appellant arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant de werkzaamheden voor zijn zoon niet heeft rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant de werkzaamheden voor zijn zoon niet heeft verricht in een dienstbetrekking vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Appellant stelt zijn werkzaamheden voor zijn zoon te hebben verricht op basis van een tussen hem en zijn zoon gesloten zorgovereenkomst. Partijen bij deze overeenkomst waren de zoon van appellant als budgethouder en appellant als zorgverlener. Het CIZ was geen partij bij deze overeenkomst. Appellant heeft niet nader toegelicht in welke (rechts)verhouding hij tot het CIZ zou staan. Ook zijn stelling dat sprake was van een gezagsverhouding met het CIZ, heeft appellant niet concreet toegelicht of onderbouwd. Het CIZ kon weliswaar invloed uitoefenen op de zoon van appellant als budgethouder van het pgb, maar onduidelijk is welke invloed het CIZ uitoefende op appellant. De enkele stelling dat het CIZ toezicht zou houden op de kwaliteit van zijn werkzaamheden, heeft appellant niet aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft terecht de rechtsverhouding tussen appellant en zijn zoon als uitgangspunt genomen bij de beantwoording van de vraag of appellant werkzaam is geweest in een dienstbetrekking. Dit betekent dat de rechtbank niet buiten de omvang van het geding is getreden. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen appellant en zijn zoon, verder niet weersproken, zodat hiervan wordt uitgegaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant de werkzaamheden die hij heeft verricht op basis van de zorgovereenkomst niet heeft verricht in een dienstbetrekking. Dit betekent dat appellant niet verzekerd was voor de ZW. Gelet hierop heeft UWV terecht appellant per 1 april 2010 een ZW-uitkering ontzegd. Het hoger beroep slaagt niet.