Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft bij de berekening van het dagloon later uitbetaalde WW-uitkering terecht buiten beschouwing gelaten.

Appellant ontvangt vanaf oktober 2012 een WW-uitkering. In december 2012 meldt hij zich ziek en in oktober 2014 vraagt appellant een WIA-uitkering aan. Bij besluit van 28 november 2014 brengt UWV appellant met ingang van 29 december 2014 in aanmerking voor een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 37,62% en het dagloon is vastgesteld op € 149,13. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Hangende het daarop volgende beroep heeft UWV bij besluit van 8 december 2015 het besluit van 28 november 2014 gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 71,51%. Ten aanzien van de hoogte van het dagloon is het besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft met betrekking tot het dagloon overwogen dat de wettelijke bepalingen UWV geen ruimte laten om loon dat is ontvangen voor aanvang van de referteperiode, of WW-uitkering die is ontvangen na afloop van de referteperiode, bij de vaststelling van het dagloon te betrekken en heeft het beroep derhalve ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat UWV het dagloon niet juist heeft vastgesteld, door ten onrechte geen rekening te houden met zijn inkomen over de volledige referteperiode van 52 weken. Appellant heeft over de laatst 15 werkdagen van dit tijdvak een WW-uitkering ontvangen, welke echter pas na afloop van dit tijdvak (op 11 december 2012) is uitbetaald. Door slechts het inkomen over 52 weken minus 15 (werk)dagen in aanmerking te nemen is appellant benadeeld, zo stelt appellant.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 13 lid 1 WIA wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden. Op grond van artikel 14 van het van toepassing zijnde Dagloonbesluit wordt onder loon verstaan: loon in de zin van artikel 16 Wfsv. Een WW-uitkering wordt in dit artikel als loon aangemerkt. Niet in geschil is dat de in artikel 13 lid 1 WIA genoemde referteperiode liep van 1 december 2011 tot en met 30 november 2012. Vaststaat dat de betaling van de WW-uitkering van appellant over de periode van 12 november 2012 tot en met 9 december 2012 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 33 WW achteraf, op 11 december 2012, heeft plaatsgevonden. In eerdere uitspraken heeft de Raad herhaald dat in dit verband geen ruimte bestaat om een reguliere betaling van WW-uitkering die na correcte toepassing van artikel 33 lid 1 WW is gedaan na afloop van het refertejaar, mee te nemen bij de vaststelling van het WIA-dagloon en te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. Gelet hierop heeft UWV de in december 2012 aan appellant betaalde WW-uitkering terecht buiten beschouwing gelaten. UWV heeft juiste toepassing gegeven aan artikel 16 lid 2 van het Dagloonbesluit. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat UWV het dagloon op de juiste wijze heeft vastgesteld. Het hoger beroep faalt.