Naar boven ↑

Rechtspraak

Benadelingshandeling: ZW-uitkering van betrokkene die op staande voet is ontslagen is terecht geweigerd, UWV mocht zich op de beslissing van de civiele rechter baseren.

Appellant treedt per 1 september 2011 in dienst bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 13 april 2014 meldt appellant zich ziek bij werkgever. Bij brief van 9 mei 2014 ontslaat werkgever appellant op staande voet. Op 30 mei 2014 roept appellant de nietigheid van dit ontslag in en dient appellant een loonvordering in. Vervolgens vraagt appellant een ZW-uitkering aan. De kantonrechter wijst de door appellant ingestelde loonvordering af, nu het naar het oordeel van de kantonrechter waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure het ontslag op staande voet gegrond wordt geacht. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Het hof overweegt daartoe dat vaststaat dat appellant in strijd met de afspraak met zijn werkgever de Raad voor Rechtsbijstand (met succes) heeft verzocht zeven toevoegingsvergoedingen van zaken die door appellant waren behandeld, niet uit te betalen. Volgens het hof gaat het hier om een wezenlijke tekortkoming van appellant in de arbeidsrelatie met zijn werkgever. Onder de gegeven omstandigheden kon naar het voorlopig oordeel van het hof van werkgever redelijkerwijs niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst met appellant te laten voortduren. Het hof was verder voorlopig van oordeel dat werkgever bij het ontslag op staande voet met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld. Bij besluit van 30 juli 2014 weigert UWV in verband met het voorgaande de betaling van de ZW-uitkering aan appellant, op de grond dat hij een onnodig beroep doet op de ZW omdat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 45 lid 1 aanhef en onder j ZW bepaalt dat UWV de ZW-uitkering weigert indien sprake is van een benadelingshandeling. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat UWV terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een dergelijke benadelingshandeling en dat appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. De bevoegde civiele rechters hebben de door appellant ingestelde loonvordering afgewezen, waarbij uitvoerig op de standpunten van appellant is ingegaan en waarbij voorshands is overwogen dat het gegeven ontslag op staande voet stand houdt. In het kader van de procedures in beroep en hoger beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant geen gegevens ingebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de civiele rechters wezenlijke informatie bij hun beoordeling van het ontslag hebben gemist dan wel dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die voor UWV aanleiding hadden moeten vormen om geen benadelingshandeling vast te stellen, of om van verminderde verwijtbaarheid uit te gaan. Van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien, kan volgens vaste rechtspraak van de Raad slechts sprake zijn wanneer de maatregel voor de betrokkene onaanvaardbare gevolgen heeft. De rechtbank heeft hiervoor op juiste gronden geen aanknopingspunten gevonden. Het hoger beroep faalt.