Rechtspraak
Appellant is van april 2012 tot februari 2013 werkzaam als docent, op basis van twee overeenkomsten van opdracht, gesloten tussen de school en de eenmanszaak van appellant. Volgens een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) van de Belastingdienst worden de inkomsten van appellant aangemerkt als winst uit onderneming en hoeft de opdrachtgever over die inkomsten geen loonbelasting/premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen in te houden (VAR-wuo). Op 12 mei 2014 vraagt appellant een WW-uitkering aan. Bij besluit van 16 mei 2014 weigert UWV de WW-uitkering, omdat hij geen werknemer is in de zin van de WW. Appellant vraagt vervolgens een ZW-uitkering aan. Bij besluit van 23 juni 2014 weigert UWV de ZW-uitkering, omdat appellant niet als werknemer verzekerd is voor die wet. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten. Lopende de bezwaarprocedure heeft de kantonrechter voorlopig geoordeeld dat de rechtsverhouding kwalificeert als een overeenkomst van opdracht en niet als een arbeidsovereenkomst. Bij e-mail van 23 februari 2015 heeft UWV appellant meegedeeld dat, gelet op het vonnis van de kantonrechter, ervan moet worden uitgegaan dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht. UWV heeft het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 mei 2014 en 23 juni 2014 ongegrond verklaard. Ook naar het oordeel van de rechtbank is appellant niet op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam geweest, zodat UWV appellant terecht een WW- en een ZW-uitkering geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of appellant tot de school in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, is maatgevend of sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Bepalende criteria in dit verband zijn het verrichten van arbeid, het betalen van loon en het uitoefenen van gezag. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, waarbij niet alleen in aanmerking moet worden genomen wat partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar ook de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. De inhoud van de overeenkomsten laat geen andere conclusie toe dan dat appellant en de school bij het sluiten van de overeenkomsten hebben beoogd een overeenkomst van opdracht aan te gaan. Ook de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de overeenkomst wijst erop dat appellant werkzaam is geweest op basis van een overeenkomst van opdracht. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat in de feitelijke uitvoering sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen hem en de school, omdat hij werkte volgens een vastgesteld lesrooster en verplicht was om aanwezig te zijn bij docentenvergaderingen. Uit artikel 7:402 BW volgt immers dat een opdrachtnemer gehouden is gevolg te geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen over de uitvoering van de opdracht. De door appellant genoemde elementen in de feitelijke uitvoering dienen te worden gezien als een nadere invulling van de instructiebevoegdheid van de school in het kader van de overeenkomst van opdracht en niet als het uitoefenen van werkgeversgezag. De Raad komt tot de conclusie dat de verhouding tussen appellant en de school niet kwalificeert als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant tijdens zijn overeenkomsten geen werknemer is geweest in de zin van artikel 3 van de WW en de ZW. Het hoger beroep faalt.