Naar boven ↑

Rechtspraak

De Raad onderschrijft opnieuw de opvatting van UWV dat het zijn controle op het voldoen aan de sollicitatieplicht van WW-gerechtigden steekproefgewijs mag uitvoeren en daarbij de periode bepaalt waarover de WW-gerechtigde een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten verstrekt.

Bij besluit van 12 februari 2014 brengt UWV appellant met ingang van 23 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. In dit besluit wordt vermeld dat appellant minstens vier keer per vier weken moet solliciteren en dat UWV dit regelmatig controleert. Bij besluit van 3 november 2015 verlaagt UWV de WW-uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 19 oktober 2015 met 25% gedurende vier maanden op de grond dat appellant in de periode van 17 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015 onvoldoende heeft gesolliciteerd. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Appellant voert in hoger beroep aan dat hij bij bericht van 23 oktober 2015 van UWV heeft vernomen dat hij te weinig sollicitaties in zijn werkmap had staan en dat hij een periode van zeven dagen kreeg om de sollicitaties aan te vullen. Appellant voldoet binnen de gestelde termijn aan dit bericht door op 26 oktober 2015 alsnog vier sollicitaties te versturen en in de werkmap te plaatsen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat UWV een willekeurige, voor appellant ongunstige, periode heeft gehanteerd ter controle van de sollicitatieplicht. Door appellant niet vooraf te informeren over de duur en de begin- en einddatum van de te controleren periode heeft UWV het rechtzekerheidsbeginsel geschonden. Tot slot heeft appellant een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens appellant mocht hij er op basis van het bericht van 23 oktober 2015 van UWV op vertrouwen dat hij alsnog in de gelegenheid werd gesteld om aan zijn sollicitatieplicht te voldoen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ter beoordeling ligt voor of UWV terecht de WW-uitkering van appellant bij wijze van maatregel heeft verlaagd met 25% gedurende vier maanden op de grond dat appellant in de periode van 17 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015 onvoldoende sollicitatieactiviteiten in het kader van de WW heeft verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant elke vier weken vier sollicitaties diende te verrichten. In de periode van 17 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015, zijnde twaalf weken, heeft appellant acht sollicitaties verricht. Dit leidt tot het oordeel dat appellant in deze periode niet heeft voldaan aan de plicht om elke vier weken vier sollicitaties te verrichten. Het standpunt van appellant dat UWV een willekeurige periode heeft genomen om te controleren of appellant aan zijn sollicitatieplicht heeft gedaan, wordt niet gevolgd. Het is de taak van UWV om te controleren of een verzekerde zijn sollicitatieplicht heeft nageleefd. Aan deze controletaak is inherent dat er een bepaalde periode wordt genomen waarover wordt gecontroleerd. In vaste rechtspraak (uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3274) heeft de Raad de opvatting van UWV onderschreven dat hij zijn controle op het voldoen aan de sollicitatieplicht van WW-gerechtigden steekproefsgewijs mag uitvoeren en daarbij de periode bepaalt waarover de WW-gerechtigde een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten verstrekt.

Van willekeur is niet gebleken. Zoals UWV in het verweerschrift van 29 november 2016 onweersproken heeft gesteld zijn de sollicitatieperiodes vastgesteld en terug te vinden in de werkmap. Langs deze weg had appellant kunnen weten hoe zijn sollicitatieperiodes precies liepen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel gaat niet op. Appellant stelt dat UWV hem bij bericht van 23 oktober 2015 nog zeven dagen de tijd had gegeven om alsnog twaalf sollicitatieactiviteiten te uploaden in de werkmap. Uit de bewoordingen van het bericht van 23 oktober 2015 blijkt duidelijk dat appellant alsnog in de gelegenheid werd gesteld om sollicitaties te melden die hij had verricht in een reeds verstreken periode. Verwezen wordt naar “deze periode”, waarmee geen andere periode bedoeld kan zijn dan de daarvóór genoemde periode van 17 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015. Appellant kon op basis van het bericht van 23 oktober 2015 dan ook niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat hij sollicitaties van een latere periode mocht aanleveren. Hieruit volgt dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het hoger beroep slaagt niet.